De ijsbeer in Antwerpen liep heen
en weer op een smalle rand boven
het water, steeds op dezelfde manier.

Telkens leek het of hij in het water
zou springen aan het eind van de rand
maar dan trok hij de poot weer terug.

En draaide, schudde zijn kop en leek
even op een grote poes als zijn andere poot
de kop zou wassen, één maal, twee maal

drie maal, vier maal, dan was hij bij
de muur en draaide, liep naar het eind
leek te springen, draaide, lik één, lik twee

lik drie, lik vier en zo voort tot een andere
beer hem uit zijn ritme haalde vóór lik vier,
toen hij terugliep dook hij woest in het water.

 

 

Advertenties

 

 

 

 

 

Een heel klei omeletje

kun je bakken van de eitjes

van de goudvink, maar als

je het niet doet, komen er

na twee weken broeden vijf vogeltjes

uit de struiken en na nog eens

veertien dagen, vliegen ze uit

compleet met pootjes, ogen, snavels.

 

Ze wegen minder dan een gouden lepel

maar ze kunnen adem halen

voedsel zoeken, heel mooi vliegen

en later een nestje bouwen

van fijne takjes en mossen

doorweven met donkere wortels.

 

 

 

Mijn moeder is vroeger een poes

geweest, denkt ze wel eens, ze wil

haar staart terug, een zachte lange

 

staart die door een gaatje in haar rok

of broek naar buiten komt en die ze

om haar middel kan slaan of laten

 

hangen om er mee te spelen en anderen

te plagen. Het lijkt me heerlijk, zegt ze

om op die staart te zitten, hem tussen

 

mijn tenen zachtjes te knijpen, sierlijk

over de grond te slepen, dingen te laten

doen waar ik me nu nog voor schaam.

 

 

We stonden met een grote witte doek

aan een stok uit het raam te zwaaien

als er eentje opdook, maar te snel

vlogen ze langs, op jacht naar insecten.

 

Later stonden we stil op het grasveld

en gooiden een kussensloop omhoog

zo gauw we iets zagen vliegen

in de hoop een vleermuis te vangen.

 

Maar we vingen alleen maar het licht

van een ster die in de doodstille

avond begon te schijnen, naar het leek.

Wat hadden we met een vleermuis moeten doen?

 

 

De dierendokter had het

over verlamde poten

maar gelukkig zag de buurman

een wakker oog en weigerde

mijn kip te slachten

en zo bleef Sneeuwstorm leven.

 

Ze lag eerst nog in het stro

alsof ze niet meer lopen wou.

Later dacht ik: om te broeden?

 

Na twee dagen liep ze

kwiek in het buitenhok

sprong over het konijn

recht in mijn armen.

 

 

Twee dode hazen in witte

overalls met bloed bij hun buik.

Met starre maskers en lange oren

lagen zij op een rond kleed

 

te protesteren op het plein

tegen de jagers, de eters vooral

zonder beweging en koud

in een pijnlijke houding, verstard.

 

Een vader wees zijn dochter

op details en zij keek ongelovig:

Wie zou die beesten willen eten?

 

Niemand is een eiland,
Volledig op zichzelf staand,
Iedereen is een stukje van het continent,
Een deel van de gemeenschap.
Als een kluit door de zee wordt weggewassen,
Is Europa iets verloren.
Zo ook als een voorgebergte verdwijnt
Of een landhuis van uw vriend
Of van uzelf:
De dood van een man maakt mij kleiner,
Omdat ik betrokken ben bij de mensheid,
En vraag daarom nooit voor wie de klok luidt;
Hij luidt voor u.

(John Donne, vert. R.E.)