Als ik afscheid neem
van de zee en me telkens
weer omdraai en denk: nu
nu zie ik haar voor het laatst

hoe ze daar ligt en beweegt
stil of golvend tegen het zand
de kleur van de lucht
de geur van de wind

en als ik even verder loop
is ze weg, voorgoed verdwenen
niet op te roepen, onkenbaar
verscholen achter de duinrand.

Advertenties

Ik wacht op de roeiboot

uit de kamer.

Hij moet naar binnen drijven.

 

Ik zal hem iets het land

op trekken

tot hij stil

ligt en wachten tot de avond.

 

Pas in het donker weg-

varen met mijn rug

de kamer binnen varen.

==

 

 

De nacht is een bed

dat mij warmte onttrekt

tot ik als een schil blijf liggen..

 

Ook in de zon geen warmte

uitzicht naar niets dan de verte

verdampend licht in de randen.

 

Waar zijn de vogels?

Kunnen ze blijven zweven?

Hoe klinken hun stemmen?

 

Wie hier verdwaalt zoekt

tevergeefs een steunpunt.

Het water lokt tot verdrinken.

 

Dagen nu al dwaal ik langs

het water. Waar zal ik belanden?

Ik zie geen overkant.

 

Als het water wegtrekt

zie ik sporen van leven:

wier, mosselschelpen, gruis.

 

De vreugde van het denken

dat je er aan komt, fietsend

langs het kanaal, af en toe

kom je omhoog om de trappers

aan te zetten en je kijkt

naar waar je wilt komen

je hijgt een beetje en als je

langs me komt en me groet

glimlach je, ik zie je blije

mond, hoor ik nu ook je stem

soms ben ik te vroeg of te laat

ik kijk naar de bocht, je bent

donker gekleed, je doemt op

uit de bomen langs het kanaal

daar kom je dan toch, een beetje

slingerend, verbaasd dat ik er ben.

 

 

René van Woudenberg veronderstelt dat het bestaan van God door wetenschap aannemelijk gemaakt kan worden.

Van belang is daarbij de ordelijkheid van de fysische wereld.

Ik vraag mij af of de fysische wereld wel zo ordelijk is. Natuurlijk, de planeten draaien hun ordelijke baan, maar er zijn toch vele verschijnselen in de fysica die wijzen op onordelijkheid. Ik wijs alleen maar op onvoorspelbare mutaties en op de onvoorspelbaarheid van verschijnselen in de quantumfysica. Maar misschien ligt daarachter wel een orde die we niet kennen en zeker nog niet begrijpen.

 

Van Woudenberg doet me denken aan de EO-dominee die een doorgesneden rode kool liet zien als bewijs van Gods bestaan. Vandaag nog zag ik hoe ingewikkeld de vleugelslag van een kolibrie was, waardoor hij stil kon staan voor een bloem om nectar te zuigen. Gelovigen zeggen dan dat zoiets toch om het bestaan van een goddelijke schepper schreeuwt. Of denk aan de geheimzinnige eigenschappen van water, die het leven hebben mogelijk gemaakt.

Van mij mag je de natuur een wonder noemen, als je daar dan maar mee bedoelt dat we er weinig van begrijpen. Je mag ook in God geloven, als je maar niet denkt dat Hij wetenschappelijk aannemelijk gemaakt kan worden.

 

 

 

Zo helder is het niet zo zelden

hier aan de zee, waar de wolken

schijnen in het water, kijk

daar is het blauw, daar lichtgrijs

en waar de visser zijn lijn ophaalt

is het zo doorzichtig en scherp

dat de lijn breekt en zijn lood

op de bodem blijft

tussen de witgepokte stenen.

 

Het water een spiegel, geen metafoor

en landinwaarts de stralende waterhemel.

 

Alles staat in lichtelaaie

te weerkaatsen, waterglans

en lichtgezicht

een durend magnesiumlicht

lichtscheermes, brandhelder.

 

De visser herstelt kalm zijn lijn

werpt zijn nieuwe lood

dwars door het glas.

 

==