De Zestiende-eeuwse schilder Arcimboldo werd beroemd door de compositie van fruit en groente als gezicht. ‘Dat kan ik ook’ moet Møhlmann gedachte hebben, maar nu met gereedschap en blik.

Hij nam een oude schoen, zette die in de bankschroef vast, het blik er in, een aansteker, het frame van een fietszadel, waterpomptang, mechaniek van een fietsbel, een pan als hoed. Het bijzondere is dat het gezicht is opgebouwd in de realiteit en toen geschilderd. Arcimboldo kon dat niet met zijn fruit.

 

Møhlmann zet het blikje op een vaste kast in de Des Présstraat nog. Allerlei spullen: een schedel, blikjes, glaswerk. Op de achtergrond de elektriciteitsbuis, mèt pissebed. Hij schuift dertig centimeter naar rechts. Hij rookt nog steeds; er ligt een pakje sigaretten, St. Michel.

‘De originele groene St. Michel werd op het einde van de 19de eeuw door Félicien Gosset ontwikkeld. In zijn atelier in de Oude Putterij in Brussel werden de sigaretten gerold door vlugge vrouwenhanden, de stichter zelf trok met een stootkar de straten van Brussel in om zijn volkssigaret aan de man te brengen. Hij verkocht ze in 1893 tegen 1 centiem per stuk, in plaats van in dure pakjes. ‘(Bron: Het belang van Limburg)

Van een doosje lucifers zien we nu de zwaluw. Het is 15 graden Celsius in het atelier. Een deeltje van ‘Handboekjes Elck ’t beste’ over Vincent van Gogh (door Just Havelaar). Møhlmann bewaart van alles en lang: er ligt een toegangsbewijs voor het Rembrandthuis van 1987, maar het is al ’88. In de begeleidende tekst nodigt hij ons uit zijn komst in het gastenboek ter plaatse te controleren, maar dat is niet nodig. Hij schildert waarheidsgetrouw, al haalt hij grappen uit. De pissebed schuift mee. Dertig centimeter verder zien we een stopfles met, als ik het goed heb, navelsteen-pigment, naast de rechterkant van het vernisflesje ‘Rembrandt’. Tussen blik en de stopfles een gebroken glas. De pissebed kruipt naast een brandblus-apparaat.

 

Møhlmann is een verhalenverteller of een theatermaker of een filmmaker: het blikje is protagonist. Hij zet het op het toneel en laat het acteren met andere figuren. In 71 zien we het gluren van achter de gordijnen. Het toneel is nog donker. Dan schuift de camera omhoog, het blikje ligt op de tafel voor de geruite theedoek die we al kennen uit een eerdere scène. Tenslotte zien we het platte vlak van de tafel van boven af.

 

In 75 komt de regisseur terug op Van Gogh: de stoel van Gauguin, uitgelopen uien (?), een portemonnee met een vijftig gulden biljet met zonnebloemen en een fotootje: Van Gogh in gesprek met Emile Bernard. Een brief aan Møhlmann in Amsterdam, met een postzegel van Beatrix, gestempeld in Amsterdam 1988. In de envelop een blauw vel en een tekst over Vincent. Natuurlijk het blikje op zijn vertrouwde plek in het vlak. Het staat een beetje op de portemonnee en op een lucifersdoosje, het zwaluwdoosje met eindelijk de bovenkant zichtbaar.

 

76 staat op zijn kop en spot met de wetten van de zwaartekracht. Op het linnen doek kan alles.

Dan staat het blikje op een blauwe kruk met een doosje spijkers en een hamer. Het doet de schilder denken aan Duchamp, al ontbreekt het fietswiel en is het krukje hier functioneel.

 

Wat zat er ook alweer in het blikje? Ooit? Kip. Vuur was nodig om de kip te braden of te koken, het beest groeide op aarde, in het blik zit ook water en lucht. Vier elementen. Op het schilderij een asbak, een tulp in water, een glazen bakje met aarde dat de lucht weerspiegelt. Die tulp gaat natuurlijk open en verliest straks zijn bloembladen. En ja wel: de voorwerpen zijn verschoven, de tulp hangt in minder water. Het borrelglas dat in 78 grotendeels achter het blik verscholen was, is nu goed zichtbaar met een gevangen vlieg. In 80 is de vlieg uitgeput, het vaasje bijna leeg, de tulp heeft al twee bloembladen verloren, maar er is nieuw leven in het bakje met aarde: een groene punt.

Daarna is de tulp kaal, het vaasje leeg, het groene puntje groeit. In de asbak ligt een sigaret te smeulen.

 

 

Hoe schildert Møhlmann? Hoe controleert hij de verhoudingen? Hij neemt de maat met een potlood, maar dat verklaart niet het onbegrijpelijke talent om zo realistisch te schilderen. Realisme? Ja, maar met zijn eigen verhaal. Het uitzicht is treurig. Junks in zijn portiek. Geen wonder dat hij verhuist, naar Hoorn, een bouwval, maar een eigen voordeur. Het schilderen moet maar even wachten, want er moet verbouwd worden, opgeknapt.

Toch ziet hij kans een omgekeerde anamorfose te maken. Zijn kop wordt realistisch weerspiegeld door het blikje, maar het weerspiegelde moet gereconstrueerd. Ik snap niet hoe hij dat doet. Hoe lang doet hij over zo’n schilderij? Hoe lang doet hij met een kwast? Hoe fijn zijn zijn kwasten?

Een Boeddhabeeldje is vervangen door een Mariabeeldje. Wat betekent dat nu weer?

 

In het nieuwe atelier staat het blikje op de vloer. ‘Hallo, doe je nog wat met me?’ De vloer is oud. Drie tomaten helpen, één in een witte pollepel, die is mee verhuisd.

 

Het nieuwe atelier wordt weerspiegeld in een deurknop. We zien de schilder de opzet voor zijn schilderij maken, maar het is al af. Maarten Luther tegen de kast genageld, het blikje idem. Een verrassend dikke penseel eindigt in een fijne punt.

 

Een oude tegelvloer is te voorschijn gekomen. Het blikje ligt op de vloer. Hoe zit het? Het schilderen moest toch een jaar wachten? De fijne motoriek van de schilder werd kennelijk niet aangetast door de sloophamer.

 

 

De zeventiende-eeuwers schilderden virtuoos satijn, linnen, bont, tin, glas, druiven. Møhlmann schildert even virtuoos een gekreukeld spijkerjasje, waarin het blikje als een diva glimlacht. Naast haar de knoop met de naam van de schilder.

De reproducties in het boek over de Canto Collectie, waaruit ik af en toe citeer, zijn goed, maar nu is er toch een detail, dat ik terug moet zien in Appingedam: de spiegeling van de schilder achter zijn ezel in de knop van een kraan. Het blikje staat in een surrealistisch, sadistisch decor. Uit de mond van een masker stroomt onophoudelijk water in het blik dat zal gaan overlopen. Op de rand van een bassin staat een doorzichtige fles met water. Naast het blik staat een glas met weinig water. De worteltjes van een smachtend stekje reiken wanhopig naar het water, maar dat is te ver.

Een stilleven van voorwerpen, bijeengezocht vanwege stofuitdrukking, vorm of gevoelswaarde is altijd interessant. Wat kiest de kunstenaar? Naar het waarom kunnen we meestal alleen maar gissen: een gehavend wit kommetje dat nog net kan staan, een kruisbeeld met een sneue verlosser, een speelgoedbeer die lief en dom half op het kruis zit, een oude brief aan vader Møhlmann in Amsterdam(?) met een oude postzegel, gestempeld in Amsterdam in 1950, een bruine fles met een vage spiegeling van de jonge Møhlmann, een fles OUDE SNIK, een houten kistje dat een beetje open staat, met op de rand er uit hangend een armband met schakels die ieder een rode steen dragen, gekreukelde uitnodiging voor een discussiedag, een klein Aziatisch beeldje…èn…een met een witte punaise opgeprikte zwartwit foto van een jonge vrouw met een ponykapsel en lang haar die naar beneden kijkt, haar hand bedachtzaam voor de mond. In het midden natuurlijk de hoofdpersoon van deze Canto Collectie. Het is 1985 geworden.

Rob Møhlmann maakte een boek van zijn Canto Collectie, met korte commentaren in Nederlands, Engels en Duits. Bij Canto 47 staat: ‘Een onbenullig raampje met daarachter een stuk vitrage en daarachter mijn model. Toch zullen er duizenden mensen bestaan die menig raampje nog scherper op hun netvlies hebben, omdat zich daarachter hun dierbare bevond.’ Hij of zij daar, en jij hier: vlakbij en toch oneindig ver weg, gescheiden door dun glas. Een beladen oogcontact, maar nu voor het eerst met een ‘het’.

De dood lijkt hier binnengeslopen. Wat is het overigens voor raampje? Waarvoor? En waarom is vitrage voor het blik; vitrage die met veel geduld is geschilderd? Het raampje verdient een verfbeurt. Eerst afkrabben, dan grondverf en dan glans. Er zit een ring in het hout waarmee je het raampje dat wel een beetje zal knellen, kunt opentrekken. Voor het raam jong, uitbottend groen. Een clematis? Met schaduw.

Zeven appels in een schaal. Het blikje bijna verborgen, een bruine fles, een ouderwetse metalen fles die arbeiders vroeger meenamen naar het land om melk of water te drinken.

Op de rand van een kleine plank waarop het blik staat – pontificaal nu, er in een kwast en een plamuurmes(?) – en een mes ligt, krom weerspiegeld door het blik – een pissebed, die voorlopig niet weg is. In de volgende cant0 (50) is met het mes een deel van het schilderij weggesneden. Het is dus nog een keer geschilderd! De pissebed loopt op de lijst. De destructie gaat door: er is nog een stuk linnen weggesneden, de pissebed loop nu bijna in de hoek. Het mes steekt vervolgens in het geschilderde spieraam. Van het geschilderde blikje is nog maar weinig te zien. De pissebed loopt op het witte canvas. De schilder speelt een duizelingwekkend spel met illusie en realiteit. Zelfs de voelspriet van de pissebed werpt een kleine schaduw. De lichtbron staat schuin boven het schilderij, maar hoe kan een geschilderd mes een schaduw werpen?

Het spel van illusies gaat door: er is een lijstje met daarachter het blikje; de pissebed kruipt over een houten kistje en later over de tafelrand en plotseling blijkt het lijstje toch een schilderijtje met het blikje te bevatten. Het grote schilderij gaat bladderen. Op het schilderij gaat een luikje open en daar is het blikje weer en de Van Nelle Shag. Nu ook de gekreukelde wikkel van Stimorol Gum. Op 57 is 56 naar links geschoven en te voorschijn komt een stilleven met blik en verfspullen. Vanitas. De pissebed is er nog steeds.

 

De schilder kwam weer tot rust, een helder stilleven met theedoek die speels als punt onder een plank naar beneden wijst.

In 60 houdt een model van hout- dat schilders gebruiken bij het schilderen van houdingen van mensen – het blikje vast, maar het meest opmerkelijke is de strop om zijn nek. Eerst nog spel: nu met een compositie van Mondriaan, later met Matisse en zijn lichtinval van voren, waardoor ‘de wereld platter wordt’.

Hoe alles voorbijgaat, de melk wordt gedronken door de poes die al weer weg is, maar zijn pootafdrukken verraden hem. De klok tikt door, al staat de sekondenwijzer op het schilderij stil, evenals de schilderende schilder met zijn dan nog lange haar. De sigaret is vergeten, opgebrand in de asbak, met een askegel zo lang als een sigaret, opgebrand tot het lange mondstuk, braaf weerspiegeld door het blikje, dat in 64 verscholen is achter doek, geschilderd in grijzen.

Maar we waren bezig met schilder-citaten. Nu Vermeer. Het melkmeisje schenkt met een wat enge, magere hand uit een kartonnen melkpak. Er is een bierfles met beugel (Grolsch), een plastic zak met boterhammen en krentenbollen. Van wie is die hand? Van Laura? Was zij ook het meisje op de zwartwit foto van 46?

Dan Beuys. Zijn hoed verbergt het blikje, maar niet geheel. Hij deed ooit iets met bijen.

‘Dieren als de haas, het hert, de eland en het schaap, zwaan en bijenkoningin hebben voor hem een symbolische betekenis. De bijenkoningin is een beeld afkomstig uit een anthroposofische verhandeling over bijen van Rudolf Steiner. Het produceren van was en het vormen van honingraten beschouwde Beuys als een plastisch

proces. Bovendien kan een bijenvolk warmte produceren.

Die bijenwereld vormt een metafoor voor Beuys’ plastische theorie, waarin een wisselwerking bestaat tussen warmte en kou, natuur en geest, leven en dood, zender en ontvanger.’ ( uit: cursussen.pohbra.nl/hongernaarkennis/syllabus_deel_7.pdf)

Op het schilderij gaat een bij op onderzoek uit in een sleutelgat.

 

 

Na veertien schilderijen bleef het blikje spoken. De schilder zag het overal, ook waar het niet was. Hij schildert het fantoom, de schim, een fata morgana van het blikje, doorzichtig. Achter het blikje een flesje met medium, een aardige metafoor.

Het blikje wordt gepersonifieerd: bij een zwerftocht door het atelier maakt het nieuwe vrienden, een blikje of busje Brasso, een glazen pot en een fles. De vier aanwezigen spiegelen zich aan elkaar: ‘leek er zelfs sprake van een geheimzinnig gesprek’. De kunstenaar bemoeide zich er mee en zette er een heldere, halve literfles bij. ‘Het debat veranderde op dramatische wijze.

Het blikje valt langs een witte wand, langs een elektrische leiding van plastic. In de val is het stilgezet en werpt zijn vrije schaduw op de wand. Hoe doet Møhlmann

dat? Gebruikt hij een touwtje als hulpconstructie? Maar dan zou hij het touwtje ook schilderen. Maakt hij een snelle foto? Als het blikje op het volgende schilderij iets is gekanteld, blijft het recht op het doek (de steeds ingenomen positie) en staat de elektrische leiding scheef. Het reflectiebeeld in het blikje blijft verticaal. Aan het eind van de leiding zit een ouderwetse lichtknop. Het blikje is er langs gevallen en nadert nu een bodem, plank of vloer. In de reflectie kondigt zich de valbodem, maar nog niet herkenbaar aan. Die valbodem blijkt een kastje met een open lade. De verf van het kastje is aangetast door ouderdom. In de la zien we een geopend pillendoosje. Een pil ligt op het kastje. Eindelijk komt het blikje tot rust. Het heeft met zijn onderrand een beschadiging in het oppervlak gemaakt. De weggeslagen verfsplinter ligt iets verder weg.

Op een ochtend staat het blikje tegen een oude bruine stopfles, een blok hout of een doos, waarop een kleiner, bloter blikje. Vòòr het blikje ligt een pollepel waarvan de steel verbogen is. In de weerspiegeling van het Cantoblik lijkt de lepel op een metalen, uitgeklede sprinkhaan. Het is ochtend. ’s Middags staat de compositie in een ander licht. Møhlmann schildert hetzelfde tafereel nog eens. Twee keer op één dag? Schildert hij zo snel? Kan hij in één dag al die details zo precies schilderen? En nog is het niet genoeg: bij avond het derde schilderij. We zijn bij Canto 26. Het is 1983. Er is niet veel kleur meer. Het donker heeft de kleur weggevreten. Vaag licht het blikje nog op. Er is nog een glimplek op de fles, op de lepel, op het kleine blote blik. En nog is het niet genoeg. De schilder doet ’s nachts het licht aan. De schaduwen vallen een andere kant op. In de bruine fles en in de holte van de pol van de pollepel zien we de lamp gereflecteerd.

 

Er ligt een affiche op tafel met een reproductie van Monets ‘Vrouwen in de tuin’. Daarop een oud boek waarvan de katernen zichtbaar zijn omdat de rug kapot is. Eén vrouw wordt weergaloos weerspiegeld; het is alsof ze met zichzelf danst. Op het boek een brandende sigaret, zo’n sigaret met een lang mondstuk. Er staat zelfs een merknaam op, maar die is niet te lezen.

Het blikje in een plastic zak. Een schilderkunstige uitdaging noemt Møhlmann dat. Onbegrijpelijk hoe je dat met verf kunt maken. Vervolgens stopt hij het blikje in een papieren zak, maar scheurt de zak een beetje open, zodat je het blikje nog kunt zien. We vertrouwen wel. Hij had de zak niet hoeven scheuren. K.Schippers fotografeerde een speelgoedolifantje voor een blok, zette vervolgens het olifantje achter het blok. Je zag het niet, maar natuurlijk: het stond er!

Dan wordt het blikje gekruisigd op het witte schilderslinnen. Let wel: de bruine tape is geschilderd. Pak het schilderij in, scheur het een klein beetje open zodat het blikje te zien is en maak er een schilderij van. Schilder het papier, met vouwen en bobbels, schilder het plakband dat de omgevouwen flappen op zijn plaats houdt. Niemand wil dit aan zijn muur hangen, maar in de reeks past het.

Het blikje wordt nuttig: je bergt er een ijzerzaagje in op, een vijl, een tang. Waar heb je dat voor nodig? Je maakt een achterbeen van een blikken paard, een paard dat een karretje trekt met een gele clown. Je kunt het karretje opwinden en dan gaat het rijden. De benen van het paard gaan een beetje op en neer. Ik heb ook zo’n karretje met clown. Gelukkig zit het betreffende been nog aan het paard. Zelfs het oude blikje waar het been uit is gezaagd, staat op het schilderij en twee blikjes verf waarmee het been wordt geverfd.

In 1983 wordt het afval nog niet gescheiden. Møhlmann

moet grijpen in zijn vuilnisbak als hij op het idee komt andere blikken om zijn canto-blik te zetten, samen met wat hij noemt de ‘stalen vlinder’, de blikopener. Hij heeft kennelijk een poes, want ik tel drie of vier lege blikken kattenvoer, Hij rookt ook sigaren, Panter Senior. Het is nog de tijd van Unox Smac, boterhamworst dat men in stukjes sneed en door de macaroni mengde. Hij at ook vaak soep. En toe yochurt met DelMonte fruitschijven.

’s Morgens eet hij gesneden wit brood met kaas, laat een broodkorst liggen. Drinkt koffie. Wil gauw aan de shag, Van Nelle, halve zware.

 

Wil Møhlmann van zijn Cantoproject verlost worden? Hij zet het blik in een bankschroef, maar draait nog niet aan. Wel heeft hij andere blikken fijngeknepen. Waarom? Moet het Cantoblik de marteling van zijn soortgenoten meemaken om de schilder met rust te laten? Is het een dreigement? Het blikje gaat als geestverschijning zweven voor de deurklink. Het wil naar buiten. De klink gaat al omlaag. Nu moet de deur nog open.

En ja wel. De geest van het blik zweeft in het venster. Is het blikje binnen of buiten? Een bruine fles en een klein bruin flesje staan gebroederlijk in een hoek van het raam. Zien we als uitzicht het dak van de school? Er ligt een gebruikte lucifer op de vensterbank.

Het blikje moet er aan geloven. Het wordt opengeknipt, plat gelegd, maar de spiegeling blijft. Nu rechthoekig en we zien de kunstenaar achter zijn ezel. Hij blijkt links. Het blik is tegen een houten wand geplakt (?). Ik zie geen spijkertjes. Op die wand onder het blik een snijtang, een deksel en een soldeerhamer of -blok (hoe heet zo’n ding?). Boven het blik aan een spijker een ring van blik, misschien van de onderkant, een passer en op een smalle richel een centimeter van geel linnen, zoals in menig naaimandje ligt, een potje en een gewichtje, vermoed ik. Naast de centimeter een in tweeën gescheurd papier met berekeningen: ‘Oc: 83,89163741 en Or: 352,4866957. Een optelsom: G: 77,95 en daaronder (Pa) 0.17. Streep en 78,12. Canto 39 heet ‘De anatomische les’. Møhlmann

is net zo exact als Rembrandt, misschien exacter.

Weer zien we de kunstenaar achter zijn ezel, nu weerspiegeld in een chromen theepot. Het blikje heeft het druk met het weerspiegelen van vier chromen voorwerpen. De kunstenaar wordt overmoedig: hij zet een spiegel onder de chromen voorwerpen en één erachter. Ook er voor een spiegel. We zien een kakafonie van spiegelbeelden tot in het oneindige.

Terug naar de rust en intimiteit. Laten we het hebben over het rode papier. We zetten alles in een rood licht. Een waxinelichtje achter een rood plastic bekertje. Caravaggio?

Van rood naar groen. Het rood van het papier houdt zich goed staande. Kunstlicht, een groene fles, een lichtgroene gemberpot. Dick Ket?

 

 

 

Rob Møhlmann schilderde 124 keer een conservenblikje. Hij werkte er elf jaar aan. Alle schilderijen zijn 40×30; het zogenaamde Canto-blikje is altijd levensgroot en staat altijd op dezelfde plaats en wordt onder dezelfde hoek waargenomen.

Toen Rob Møhlmann in 1977 begon met schilderen in een tijd waarin zuiver realisme niet populair was in de kunstwereld kreeg hij op de kunstopleiding te horen dat hij niet moest schilderen wat hij zag, maar wat hij construeerde. Al snel hield hij het voor gezien en ging zijn eigen weg.

 

Het blikje is gewoon, alledaags, maar dat is niet waar: het niet bestaande merk werd ‘Canto’ – lofzang op de werkelijkheid; het blikje werd half uitgekleed als model, dat wil zeggen het papier werd er half afgescheurd, waardoor de naam gedeeltelijk zichtbaar was, maar vooral het glanzende, niet geribbelde oppervlak, dat de omgeving weerspiegelde. En daar vond het verhaal een steeds wisselende inhoud. Robs Canto werd een episch gezang in beelden, een verhaal over onze wereld door de ogen van een kunstenaar.

 

In 2006 verhuisde de kunstenaar voor het laatst (?) naar een monumentale boerderij aan de rand van Appingedam en vestigde daar zijn atelier, woonhuis en zijn museum. Het geheel werd grondig verbouwd en de Canto Collectie kreeg een vaste plaats.

 

Op het eerste schilderij zien we de blikjes met kippenvlees in een rij staan. In het halfnaakte blik zien we de meesterschilder, vaag weerspiegeld. Hier begint een project waarvan hij dacht dat het 10 schilderijtjes zou opleveren. Op het volgende zien we het lege blik. Op het ernaast gelegen weggesneden bovenkant ligt een peuk met een uitzonderlijk lang filter en een andere peuk is met zorg recht overeind gezet. Dit wordt gespiegeld in het blik. Er achter hangt een emaille pollepel, nog niet afgewassen. De toeschouwer verbaast zich over de onwaarschijnlijk knappe weergave van de werkelijkheid: een spijkertje in de muur, de schaduw daarvan, natuurlijk in dezelfde richting als van blik en lepel, maar let op: het is strijklicht dat de schaduw veroorzaakt, want de staande peuk, vòòr het blik, heeft geen schaduw.

Canto4 is minimalistisch: alleen het blik op een witte rand, tegen een witte achtergrond. Het blik spiegelt banen kleur van wat? Aan de onderkant van het blik zien we de spiegeling van de witte rand.

Bij Canto5 staat het blik op een lege, op zijn zij liggende kartonnen doos, tegen een andere doos. We zien de nietjes en de tekst ‘SELVIAC / AMSTERDAM’. Dit bedrijf verkoopt ‘Profiel en product artikelen’. De kunstenaar woonde destijds in Amsterdam.

 

De vormbeheersing van de 26-jarige schilder blijkt ook in Canto6: het blikje staat op een oude theedoek, met blauwe vierkanten. Het doek is van achter een beetje omhooggezet, waardoor de vierkanten allerlei vormen aannemen. In het blik zien we de spiegeling. ‘Kijken, jongen’, dacht de schilder. ‘Goed kijken! Wat zie je? Hoe lopen de lijnen? Wat doet het licht?’

Canto7: het blik staat op de vensterbank. We zien door het raam een voormalig schoolgebouw aan de overkant van de Des Présstraat. De bakstenen zijn alle geschilderd, éen voor éen met variërende kleuren rood en bruin, de voegen alle in perspectief.

In het blik staat een fijne kwast. Naast het blik een halfvolle fles met medium(?). De dop is van dat zachte plastic met schenktuit, met nog een afsluitend zwart dopje. Tomado maakte die doppen geloof ik. Of ze nog bestaan? In elk geval hebben ze op het schilderij exact de stofuitdrukking die ik me herinner. Voor het blikje een hoge stenen asbak met zand en veel sigarettenpeuken met filter. Een peuk is er naast gevallen. Er ligt ook een kruimel as op de vensterbank en natuurlijk een doosje lucifers, op de buik, als je dat zo mag zeggen, het strijkvlak met kleine vierkantjes. Dat strijkt beter. Twee gebruikte lucifers.

Op Canto8 zien we een literaire vooruitwijzing: het snoer hoort bij een oud schippersradiootje dat vijf jaar later in de serie geschilderd wordt. Een brede kwast staat op zijn haren, die dus ombuigen, naast het blik. Er achter een opgespannen schildersdoekje, van 30×40 waarschijnlijk. Er komt bij toeval een glazen pot voor het blikje te staan. Nu wordt het lastig. De spiegeling van het glas, daardoorheen het blikje dat het glas weer weerspiegelt. De schilder maakt het nog moeilijker: hij doet wat water in de glazen pot en nu wordt het elektrisch snoer verdubbeld. Het vlekje op het schilderslinnen is nog steeds hetzelfde.

Nog moeilijker: de pot wordt voor de helft gevuld. Blijf kijken, goed kijken. Allerlei spiegelingen veranderen weer. En dan de pot geheel vullen. Het blikje wordt opgeslokt.

 

 

Wij willen weten waarover

wij gaan schrijven: een put

een dennenboom, parel, slak

hoe zij langzaam kruipt

over de weg en niet weet

wanneer zij verpletterd wordt

vertrapt tot slijmerige plek

of juist net vooruit, niet

versnellend, ontsnapt, maar

dat woord lijkt al te snel

ontkomt, terwijl de fietser

allang op zijn bestemming is

haalt zij de overkant

kruipt tussen gras, onwetend

waar naar toe, aangelokt

door een geur of eenvoudig

kruipend tot ze iets eetbaars

tegenkomt en stopt.

 

(Uit: De secretarisvogel schrijft; Alle diergedichten, Kleine uil, 2019)

 

 

Zomer in Fransum

mals gras tussen de graven.

 

Dunne vogels duiken

uit de waaiende luchten

als harde oorlogsjagers

boven de huizen van dit land.

 

Je kunt heel lang kijken

vanaf de oude hoogte

over het groene stille land

zie je steeds een schutter sluipen.

 

De oude bomen schommelen

als pantserwagens gecamoufleerd

langs de lege ringgracht

en de middeleeuwse kerk bewaart

honderd geschonden lijken.

 

Oud hout en groen, zonder klink

of knop: de deur waar je voor staat.

Hier moet je naar binnen, maar hoe?

 

Ik weet wel wat achter de deur

te vinden is: over de drempel

het landschap met diepe luchten.

Wolken die wegzeilen, overweldigend

licht dat weerspiegeld lijkt door water.

Je weet wat je te doen staat daar.

 

Het landschap intrekken, waden

door gras en kniediep water

terwijl je overal vogels hoort.