Een op de vijf Nederlanders van twaalf jaar en ouder heeft slaapproblemen; een op de tien zelfs heel veel slaapproblemen. 

Annie Schmidt schreef: Waarom is er geen club van slapelozen? / Men is zo eenzaam als men wakker ligt. / Kijk, aan het voeteneind zit mijn neurose / en ziet mij aan met een bedroefd gezicht.’

Bregje Hofstede schreef een boek ‘Slaap vatten’ waarin zij haar speurtocht vertelt naar de oorzaken van slapeloosheid.

(Zie mijn bespreking in Tzum)

In De Gids 1-2021 staat een verhaal van Hannah Roels. Een ik-figuur ligt te kijken naar sterren en schrijft dat ‘dit onbekende’ ( zachtjes pulserende puntjes, ‘als verre tekens, bakens in de diepte’) haar (schrijf ik nu maar) vroeger uren wakker hield.

‘De slaap strekte zich als een dun, zilveren spoor voor me uit, als een raadsel dat moest worden opgelost. Ik verdwaalde tussen vragen en zorgen, ving af en toe een glimp op, een voorsmaak. Soms huilde ik wat halfslachtig. Wanneer ik het spoor eindelijk, eindelijk beet had en dacht: dit is het, zo doe je dat, slapen, gleed ik weg, zonder bij het antwoord te komen.’

Zelf lig ik soms lang wakker. Ik heb geleerd me er niet aan te storen. Vaak denk ik dat ik wakker ben, terwijl ik van alles droom. Terugkerende dromen over een groot huis met vele lege kamers, trappen en onderdoorgangen. Steeds hetzelfde huis in een dorp waar ik gewoond heb of in een stad waar ik naar toe zou gaan. Vervelende familiereünies. Toneelvoorstellingen waarbij ik mijn rol niet ken of niet eens weet in welk stuk ik nú moet optreden. Colleges die ik niet kan vinden: ik kom te laat of ik heb mijn aantekeningen niet bij me. Lessen die mislukken en waarbij studenten woedend of cynisch reageren. Ook wel verrukkelijke vliegdromen, maar dat is lang geleden.

De eeuwige terugkeer is de hel. Zelfs het meest verrukkelijke verwordt tot een marteling als je het steeds moet beleven. 
Is het leven waardeloos omdat alles voorbijgaat? Of wordt geluk en schoonheid juist bepaald door het voorbijgaande karakter ervan? De altijd bloeiende roos is van plastic. Natuurlijk, zonder herinnering wordt alles minder waardevol, maar nog niet waardeloos. Het is er ooit geweest. Milan Kundera’s roman ‘Nesnetiln’ lehkost byt’ed’ is door Jana Beranova vertaald. De titel is geworden: ‘De ondraaglijke lichtheid van het bestaan’. Is er een verschil tussen ”ondraaglijke’ en ‘onverdraaglijke’, anders dan een poëtische toets? 
Kundera heeft het eerste deel ‘Lichtheid en zwaarte’ genoemd. Hij begint met het idee van de eeuwige terugkeer der dingen en hij noemt dat idee raadselachtig. Hij noemt het een dwaze mythe. In ‘Also sprach Zarathustra’ behandelde Nietzsche de eeuwige terugkeer als een dogma, maar eerder betoogde hij dat eeuwigheid niet bestaat. De mens is eindig en zal ten onder gaan. De test voor de wil tot leven is de vraag of men het leven oneindig zou willen herhalen. 
Dat lijkt me onzin. Als ik Kundera goed begrijp is het bestaan ondraaglijk licht omdat het voorbij gaat. Het zou zwaar zijn als het eeuwig weerkeerde. 
Het boek van Kundera is een verzameling filosofische aforismen, nogal speculatief, in het jasje van een liefdesgeschiedenis en een politieke geschiedenis. De verteller bemoeit zich voortdurend met de gebeurtenissen en geeft daar een metaforische draai aan. ‘Laten we zeggen dat de gedachte van de eeuwige terugkeer een zeker perspectief betekent waarin de dingen zich anders vertonen dan we die kennen: ze vertonen zich zonder de verzachtende omstandigheid van hun voorbijgaande aard. Deze verzachtende omstandigheid weerhoudt ons namelijk (ervan?) een oordeel uit te spreken. Hoe kun je iets dat voorbijgaat veroordelen? Het avondrood van de ondergang kleurt alles met de bekering van de nostalgie; ook de guillotine.’ Dit lijkt mij onzin en dat ligt niet alleen aan de vertaling.

Een verrassende overeenkomst tussen de opvatting van Dirk Coster ( in 1921) en de islamitische cultuur. Coster schrijft: ‘De mannelijke rede, het mannelijk bewustzijn, behoort zich tot de vrouwelijke wijsheid te verhouden, gelijk de liefhebbende man zich van nature verhoudt tot de vrouw: haar beheerschend en regelend, heeft hij zich dienaar te weten.’ En: ‘Het oordeel van de vrouw is onfeilbaar, wanneer geen hartstocht haar belet te zien. Het oordeel van de vrouw kan schrikkelijke dwaasheid worden, wanneer hartstocht haar beheerscht. De oordeelswijze van de vrouw is van hooger orde, doch tevens veel gevaarlijker voor het leven, dan die des mans.’\u8232 En: ‘Wanneer haar ziel in rust is, zoo kan het oordeel van de hoogere vrouw het onfeilbaar richtsnoer zijn voor de mannelijke rede.’ En: ‘De groote kwaal der moderne wereld is de overheersching van het mannelijk element op het vrouwelijke.’

De strategie van het Westen tegen het moderne terrorisme is eindeloos en uitzichtloos. Moeten we dan maar niets doen en de gewelddadige groep radicalen hun gang laten gaan in het islamitisch kalifaat? Als we bombarderen lokken we jihadisten van Europa naar Syrië. Als we niets doen, wordt hun macht steeds groter. Of gaan ze aan zichzelf te gronde? Kunnen zij geen staat in stand houden? Hoeveel slachtoffers moet/ mag dat kosten? We kunnen evenmin dollars gaan rondstrooien. Die verdwijnen uiteindelijk in de zakken van toch al rijke profiteurs. Hoe geef je de bevolking meer uitzicht op werk en inkomen? Onderwijs en ontwikkeling worden door de jihadisten tegengehouden. De situatie lijkt hopeloos.
Het lijkt me duidelijk dat wij geen macht hebben over de gebieden waar de bevolking zich vastklampt aan middeleeuwse overtuigingen. Als het leven geen hoop biedt, vlucht men in uitzicht op een te verwachten paradijs, hier op aarde beloofd door IS of na de dood. Zelfs redelijk opgeleide jonge mannen uit Europa zijn bereid te sterven voor hun god, hun profeet, hun heilige boeken. Er is een zekere RELATIE tussen armoede, onkunde en onderwerping aan een illusoire metafysica: secularisering is een welvaartsproduct.
De Amerikaanse filosoof Richard Rorty schreef:’When life seems so desperate that you can’t imagine it ever becoming any better, people take refuge into another world.’
Veel jonge mannen en massale werkloosheid LEIDEN tot sociale onrust en jihadisme. Moeten we die jonge mannen dan maar plat bombarderen? Als we het al zouden willen, we zouden het nooit kunnen realiseren! De bombardementen verwoesten niet alleen levens, maar ook culturen en toekomstperspectieven, waardoor hun haat en wanhoop alleen maar groeien.
Het is ook een illusie dat we onze eigen veiligheid thuis kunnen garanderen door nog meer veiligheidsmaatregelen, ijzeren grenzen,camera’s.
Wat te doen? Geduld oefenen? Infiltreren met voedsel en onderwijs?

Eindig

Een man van 85, A,  heeft kanker en is uitbehandeld. Ik bel hem als hij jarig is en hij zegt dat hij er een mooie dag van gaat maken. Zijn kleinzoon komt en daar gaat hij mee lachen. Het valt hem mee dat hij deze dag gehaald heeft. Eerder wilde hij de jaarwisseling halen, toen zijn verjaardag, de laatste. Nu misschien de verkiezingen. Hij zegt: ‘Als het regent, word je nat; als je leeft ga je dood. Ik heb lang mogen leven en nu is het op.’

Fride Bonda heeft het over een andere man, B, die vertelt dat de ziekte hem naar de essentie van het leven gevoerd heeft. Hij heeft de ijdelheid laten vallen, hebzucht, pretenties. Hij vindt steun in gebed. Met een groep vrienden is hij een gebedsgroep begonnen. ‘Niet om het onmogelijke te vragen, maar om stil te worden, om de onrustige geest te concentreren op je innerlijk, om te luisteren naar de levensadem doe door je heengaat.

Man A heeft dat niet nodig. Hij geniet van het leven nu en is bereid te sterven, zonder gebed, zonder verwachting, gewoon omdat het leven eindig is.

De vraag is: is er een cultureel verschijnsel dat met het meme-begrip is te verklaren en niet met andere theorieën? 

Het idee over de uitzonderlijke positie van Maria leefde lang in de breinen van de gelovigen, bleek besmettelijk genoeg om de hele geloofsgemeenschap te infecteren en uiteindelijk het hoogste gezag te dwingen het ideeëncomplex als geldig en waar te erkennen. 

In de eerste Christelijke eeuwen dachten de gelovigen na over de positie van de moeder van Jezus. Ze hadden onbewust heimwee naar een moedergodin. In de oudere en omgevende culturen in het midden oosten kende men altijd een moedergodin. Het christendom brak in navolging van het jodendom met die idee. Maar de psychologische behoefte kruipt waar zij niet gaan kan. Er is kennelijk dwingende behoefte aan zo’n figuur en er zit een primitieve logica in: ook goden moeten een moeder hebben. Vanouds is het ook zo dat een schrikwekkende god het best benaderd kan worden via zijn moeder, die immers ‘van nature’ (het is allemaal projectie!) meer begrip heeft voor schepselen. Als we zo’n epidemie willen begrijpen hebben we historische en massa-psychologische kennis nodig. 

Waar het om gaat in mijn discussie-bijdrage is de volgende vraag: is het meme-begrip noodzakelijk ter verklaring? 

Als Jezus God is, moet zijn moeder iets goddelijks hebben en mag ze dus niet met de erfzonde worden geboren. Oplossing: Maria is in de schoot van haar moeder Anna gevrijwaard van de erfzonde. De Kerk accepteerde dat idee en organiseerde een feestdag: Maroa Onbevlekt ontvangen.
 

Het dogma werd pas op 8 december 1854 afgekondigd door Paus Pius IX en zette onder Rooms Katholieken een nieuwe golf van Mariaverering in gang.

De consequentie hiervan was – omdat de dood beschouwd werd als een straf voor de erfzonde – dat Maria niet kon sterven en dus… met lichaam en ziel in de hemel werd opgenomen. Het nieuwe dogma moest nog een eeuw wachten. (zie hieronder). De Kerk heeft lang onder de druk van gelovigen gestaan om dit gevoelen officieel te 

erkennen en te bekrachtigen.

(Citaat uit Wikipedia: ‘Na het concilie van Efeze (431), waar Maria de titel “Moeder van God” (Theotokos) kreeg toebedeeld, kende de Mariaverering een sterke opgang. De oudste feesten ‘Maria Boodschap’ en de ‘Opdracht in de tempel’ waren nog vooral op Christus zelf gericht. Later ontstonden feesten waarbij Maria als heilige werd geëerd: ‘Maria Geboorte’ en ‘Maria-Tenhemelopneming’. Dit laatste werd in 582 door keizer Mauritius in Byzantium ingevoerd. Op 15 augustus werd voor die tijd al de verjaardag van de kerkwijding van een aan Maria toegewijde basiliek op de weg tussen Betlehem en Jeruzalem gevierd. Rome nam het feest van Maria- Tenhemelopneming over in de zevende eeuw onder paus Sergius I. Het geloof in de Tenhemelopneming van Maria dateert aldus uit de oudheid.

De Transitus Mariae-geschriften uit de zesde eeuw geven aan dat de dood van Maria als theologische vraagstelling toen reeds actueel was.

Aanvankelijk was de naam voor deze feestdag ‘Dormitio Mariae’ (ontslaping van Maria). Onder invloed van apocriefe teksten en volkslegenden werd vanaf de achtste eeuw de term ‘Tenhemelopneming van Maria’ gebruikt. De Bijbel zelf schrijft nergens dat Maria in de hemel is opgenomen.

Tijdens het eerste Vaticaans concilie (1869-1870) hadden 200 bisschoppen om de dogmatische definitie van de lichamelijke tenhemelopneming van Maria gevraagd. In 1950 kondigde Paus Pius XII officieel het dogma fidei van de Tenhemelopneming af en bevestigde het in de Apostolische Constitutie Munificentissimus Deus.’) 

Het ontstaan en verkondigen van het laatste dogma is historisch verklaarbaar. De ontwikkeling van het idee kan geanalyseerd worden. Het meme-begrip is hierbij niet noodzakelijk. 

Van Pierre Kemp is bekend dat hij veel gedichten schreef tijdens zijn dagelijkse treinreis van Maastricht naar zijn werk in Eygelshoven. Fride Bonda schrijft dagelijks een stukje voor haar pastoraal werk op weg  van Amersfoort naar Zwolle. Zij vindt het prettige manier om tot rust te komen en om te mijmeren over de mensen die zij ontmoet. Ook als zij wacht op de trein komt dat voor. Een man ziet haar lezen in haar treindagboek en begint een gesprek. Hij blijkt in het huis van bewaring gezeten te hebben en tot inzicht gekomen te zijn. Hij bidt iedere dag, niet tot God, maar tot het universum. Fride is verbaasd en krijgt plezier in de ontmoeting met de tandeloze man, met zijn door alcohol en drugs vroeg verouderde gezicht. Hij zegt wijze dingen. Als de trein komt zegt hij tegen haar dat ze een goed aura heeft en zij voelt dat als een zegen.

Fride Bonda verzamelde de stukjes in een boek onder de titel ‘Woorden in het gras’. Zij vond namelijk berijpte bladeren uit een boek in het gras. Het bleken bijbelblaadjes. 

Teksten uit de bijbel, fragmenten van psalmen, maar ook regels van dichters inspireren haar. Een tekst uit Jesaja (43:4) bijvoorbeeld: ‘Zo kostbaar bent u in mijn ogen, zó waardevol: ik houd van u…’. Dat stukje gaat over hoofddoekjes. Ze schrijft: Wat zou het plezierig zijn als we vanuit respect en belangstelling gesprekken konden voeren over die persoonlijke drijfveren, dat we ontdekken wat voor iemand kostbaar is en waardevol.’

Een leidmotief in haar teksten is het aandacht hebben voor de ander, voor zijn of haar kwaliteiten. Zij is tolerant, niet dogmatisch. Wijsheid komt uit de hele wereld, van allerlei culturen. Mythologieën zijn een bron van inzicht in de menselijke situatie.

Fride Bonda hoopt met Henriette Roland Holst dat de zachte krachten zullen winnen aan het eind, dat we ons kunnen verzoenen met de boze kanten in ons zelf en in de wereld. Vaak kunnen we niet meer dan toezien hoe oorlog en honger en ziekte om zich heen grijpen. We zijn onmachtig om in te grijpen, maar we moeten blijven proberen, streven naar verbetering. Welke wolf gaat winnen? De wolf van haat, hebzucht, arrogantie en leugenachtigheid of de wolf van geduld, vergevingsgezindheid, mededogen, oprechtheid? De wolf die jij voeding geeft.

Bernke Klein Zandvoort schrijft dat ze bang is dat metaforen de werkelijkheid verdunnen. Je kunt ook zeggen dat ze de werkelijkheid verdikken en dus vervalsen. Het ijs is een spiegel, dat is niet waar, het lijkt alleen maar op een spiegel.

Dat is een eenvoudig metafoor, die bovendien een cliché is geworden. Dikke, overdreven en misschien gezochte metaforen vind je bij Marieke Lucas Rijneveld:

 ‘geest en materie als twee tochtige koeien die elkaar tegen
beter weten in willen bevruchten’

Erwin Mortier heeft een nieuwe bundel gedichten gepubliceerd, ‘Precieuze mechanieken’. Janita Monna vindt (in Trouw, Tijdgeest, 14-11-20) dat de dichter ‘zinnen kan schilderen als ‘de wolken stoppen strohalmen van zonlicht / tussen hun verliefde tanden’’. Ik begrijp dat ze dat mooi vindt, maar naar mijn smaak zijn het bizarre metaforen. Goed, een strohalm is goudgeel, maar ook nogal hard en dat past niet bij zonlicht. En wat zijn ‘verliefde tanden’ van wolken? De rafelranden? Zou Janita de antithese van ‘verliefd’ en ‘tanden’ poëtisch vinden?

Bertus Aafjes schreef een lang gedicht “In den beginne”, waarin hij Adam de eerste dichter noemt en de zondeval symboliseert door het ontstaan van onvruchtbare metaforen en tenslotte cliché’s.

Metaforen zijn verleiders, ze lijken aantrekkelijk, maar ze zijn bedriegers en uiteindelijk corrupt.
Een kind, een meisje van zes jaar, zegt: ‘de zon heeft een snor’ en als je dat niet begrijpt, doet ze het voor: allemaal stralen!
Dit lijkt een kinderlijke, oorspronkelijke en dus nog glanzende metafoor, maar ze heeft waarschijnlijk een tekening gezien van een lachende zon met bij zijn mond stralen. Eigenlijk worden de lichtstralen hiermee vervalst, gecorrumpeerd.
Overigens blijkt dat je een kind niet hoeft uit te leggen wat een metafoor is. Het moet de naam van het verschijnsel leren, maar het blijkt met de taalontwikkeling of die van het denkvermogen gegeven te zijn. Iets lijkt op iets anders en wordt daarmee dan gelijkgesteld. Ook dat lijkt een corruptie. Een moeder zegt tegen haar kind dat iets goedschiks heeft gedaan: ‘Je bent een reus.’
Daarmee corrumpeert ze het reusachtige, maar ook – en dat is erger -ontkent ze het unieke van de daad van het kind. ‘Dat heb je goed gedaan’, zou een juistere, eerlijker beoordeling zijn, nog afgezien van het cliché-matige van het compliment.
Marsman schrijft: ‘de zon en de zee twee blauwe matrozen’. Die kenschets frappeert vanwege het onverwachte, maar waarom niet eerlijk de zon en de zee genoemd, zonder vergelijking?

In het Hooglied staat de metafoor ‘tweelingwelpen’ voor de borsten van de geliefde. Worden die borsten daarmee niet ontdaan van hun unieke schoonheid?

Paul van Ostaijen wil naakt zijn en opnieuw beginnen, zoals Marc die ’s morgens de dingen begroet: ‘Dag ventje met de fiets, dag pijp op de tafel, dag bloem.’
Arjen Duinker doet hem na: ‘Ha, de zon!’ Geen vergelijkingen, geen gezeur! Tsead Bruinja doet iets dergelijks.
Arie van den Berg noemt een uilenbal ‘een urn van vraatlust’: dit is een didactische metafoor.

De Zestigers, Bernlef en Schippers, namen afstand van de wilde metaforen van Vijftig. Zij hebben het over die zak met vuilnis op hun rug. ‘Eindelijk buiten, water is water en riet riet, maar nu begint mijn vader (62) weer, hij noemt waterhoentjes strijkbouten en vindt dat de zon ondergaat als de maan’ en pesterig laat Schippers een vormmetafoor zien.

Bertus Aafjes liet in zijn beschrijving van de zondeval ‘in den beginne’ zien hoe Adam zoekt naar het aanvangswoord. Eva wil hem helpen, plukt de appel van kennis, laat hem eten en dan ziet hij in het een het ander, maar al gauw verworden zijn vergelijkingen tot cliché’s. De beelden verliezen hun glans. De dichter heeft een kinderlijke eigenschap behouden: het woord is voor hem iets levends, zintuiglijk waarneembaar, voelbaar, in klank en ritme. De verbinding tussen teken en betekenis is nog aanwezig. Iedereen kent dat nog bij onomatopeeën, maar voor een dichter is ook een woord als ‘slak’ verbonden met iets slijmerigs, iets langzaams en een woord als ‘bliksem’ met licht en snelheid. Hij is het niet geheel met De Saussure eens over het arbitraire karakter van het woord.

In Caïro en Luxor in de jaren 1948/49 schreef Bertus Aafjes zijn dichterlijke visie op het scheppingsverhaal In den Beginne, waarbij hij gebruik maakte van het kabbalistische en bijbelse idee dat de schepping van de wereld begint met de schepping van de goddelijke taal. In het begin van het gedicht loopt Adam ‘in de nog ongenoemde morgen’. God heeft hem genoemd, maar dat gaat, opmerkelijk genoeg, aan het gedicht vooraf. Hij kwam uit de aarde ‘Wentelend als een worm naar de bevrijding, / Opkronkelend uit de eenvormigheid, / Omdat een stem die Licht was Adam riep.’
Adam noemt op zijn beurt, als kleine schepper, de dingen.
‘De Woordgeborene, hij baarde woorden.’ En in het noemen onderwerpt hij de natuur aan zich. Dit is in overeenstemming met het boek Genesis en met de traditionele opvattingen in het midden van de vorige eeuw. ‘Hij onderwierp de chaos aan zijn woord.’ Hij verlost de dingen uit het ongezegde. Maar één woord kent hij niet: het onuitsprekelijke Aanvangswoord: ‘Het scheppend Woord dat hem geschapen had / (…) / Met donderende stem, zonder geluid; / Met klank van bliksemschichten, zonder licht,’. Let op de paradox en de synesthesie. Adam zoekt naar dat Woord en lijdt onder zijn onbegrip. ‘Een blinde gril / Leek hem de wereld. En hij weende luid. / Het lijden was, want voor het eerst geuit.’ Een blinde gril – dat klinkt existentialistisch.

De kern van het gedicht wordt door Aafjes geformuleerd in het begin van de tweede afdeling: ‘Het Onuitsprekelijke maakt ons eenzaam, / Wijl wij het bij de naam niet noemen kunnen; / Het Nameloze maakt ons naamloos droef.’ Wij willen onze oorsprong kennen en vooral de reden van ons bestaan. Wij zijn betekenisdieren. Adam ondervraagt de wereld, maar alles is begrensd en hij zoekt het onbegrensde. Hij ondervraagt zichzelf, vindt geen antwoord, valt in slaap ‘En in zijn lichaam roerde ver en flauw / De vleesgeworden zucht naar antwoord: Vrouw.’ Zo laat Aafjes de vrouw ontstaan, als het verlangen van de man naar inzicht. Zij biedt hem ontferming en schoonheid, maar het wonderlijke is, dat zij volkomen zichzelf is. Zij is oorspronkelijk, zoals zij moet zijn, met niets te vergelijken. Zij is van voor het woord. Aafjes zegt: ‘Woordenloos nog is ‘t kennen in zijn aanvang.’ Woordenloos omhelzen zij elkaar en ervaren de verrukking van herkenning zonder die te benoemen. Na de eerste liefde is ook de taal als nieuw en Adam laat zijn Eva de wereld zien en leert haar de namen. Ieder ding is zichzelf en met niets te vergelijken. Alles is duidelijk, ‘Maar er was één ding duister, ‘t lichtste ding.’

Adam piekert en voelt zich gestoord door de aandacht vragende Eva. Zij vraagt wat er is, waarom hij haar niet ziet en hij vertelt over zijn zoeken. Zij begrijpt niet wat hij nog zoekt buiten haar, waarom hij niet genoeg heeft aan haar en wil hem helpen. Zij heeft hem lief om zijn wonderlijk verdriet. En dan gaat zíj tot actie over. Ze weet van de verboden boom, de boom van kennis. Ze zoekt hem op en de boom spreekt tot haar: ‘Ik ben de goddelijke vergelijking. / Eet van mijn vlees en niets blijft u verborgen.’ Eva neemt het initiatief, zoals in het bijbelverhaal. De man komt tot kennis dankzij de vrouw. Zij bijt ‘zich gulzig vast in ‘t nieuwe weten’ en dan herkent zij in het een het ander, ze kan vergelijken: de metafoor is geboren. Zij herkent God in alle dingen. En zij laat Adam eten.
En inderdaad: nu kent Adam het Aanvangswoord, ‘Want gij zijt overal, in alle dingen,/ (…) ‘gij zijt in heel de wereld / Op blinde doortocht.’ Let op: dit is een revolutionaire uitspraak voor de katholieke Aafjes, de ex-priesterstudent, in 1948/49.
In dronken verrukking loopt Adam rond en vergelijkt alles in een stroom van woorden: de dichter is geboren; in zijn vergelijkingen wordt de wereld opnieuw geschapen.
Dan komt de val. Als vanzelf vindt Aafjes klanken die de verwarring symboliseren: rillingen, wingerdranken, breuk, begeren, driftig strelen. Vooral de r lijkt iconisch gebruikt voor het sterven in beelden. Adam beeldt tot in het ‘onverstaanbre’ en dan ziet hij dat ze beiden naakt zijn. In mystieke literatuur is dit de fase van eenzaamheid, verlatenheid, kou, naaktheid.

In de vijfde afdeling wordt Adam toegesproken door ‘een stem die was van voor het noemen.’ Adam wordt schenner en rebel genoemd; zijn hybris wordt hem ingepeperd. ‘Uw spreken / Werd zinneloos van kaalheid. Ga, pluk lover, / Het armetierige lover van de beeldspraak’. De dichter moet voortaan stamelen in wrakke beelden. Hij moet in het zweet des aanschijns zoeken naar één korrel goud in ‘harde, onontgonnen stamelvelden’. Eva zal kinderen baren die een glansloze taal spreken. ‘En om een woord zal de een de ander doden.’

Aafjes laat de boom van kennis spreken:
‘Pluk van mijn twijg een van de schoonste vruchten / En gij zult kunnen scheppen naar believen, / En kunnen spreken wat gij wenst te spreken; / Ik ben de goddelijke vergelijking. / Eet van mijn vlees en niets blijft u verborgen, / Al wat gij zegt zal voort geschapen wezen, / Proef van de macht het al te kunnen zeggen. / Gij zult het Aanvangswoord te spreken weten, / En wil en woord zij zullen eender worden. / Ik ben het goddelijke beeldvermogen.’

Het sap der kennis stroomt langs Eva’s kaken: ‘Zij raakte vol van ’t mateloos verzwolgne / En zag de wereld deinen als water / En alles wisselen en weer vervloeien,/ En zij herkende in het een het ander. / Zij rook in bloemengeur het eigen zoete, / In het amandelboompje rook zij Adam, / Zij hoorde in een verre leeuw zijn hartstocht, / Haar eigen minziek zijn in ’t koerend duifje, / In felle rozen zag zij plots een haankam, /In blauwe druiven ’t blauw van het morgenmeertje, / Luid lachend zag zij in het een het ander, / Zag zij in ieder ding het aanverwante.’

En dan zoekt ze Adam, om ook hem te laten kennen.

‘En juichend riep Eva: God ik ken u, / Want gij zijt overal, in alle dingen, / Gij wankelt dronken door de ganse wereld; / Gij tiert in mij, ik ben van u bezeten. / Rood zijt gij God in ’t rood des besseboompjes / En ’t morgenrood is ’t rood van uw lippen…’

Adam eet ‘En wat daarnet nog op zichzelve leefde / het huwde in zijn geest het een het ander. / De slanke palm met blote dadeltrossen / Werd lachende het zusterbeeld van Eva.’
‘En Adam riep: O Aanvangswoord, ik ken u, / Want gij zijt overal, in alle dingen, / In ’t baren overal en in het sterven, / In wat geboren wordt en wat vergaat.’

Hiermee is de dood en het vergaan geïntroduceerd. In de omhelzing van Eva sluipt de vergankelijkheid: ‘Ik grijp uw kronkelende haar met handen, / Lianen van mijn hartstocht die ik kus, / De lieve duistre adders aan uw hoofd, / Wier beet mij door het oog dringt, ’t vlees ontsteekt / Tot giftige lust, die hunkert naar de dood. / Eva, ik beeld. Ik kan u niet meer noemen / zoals gij waart. Door een moeras van beelden / Waad ik mij naar u toe, omvat uw leden, / Die jonge hinden springende van wellust, / Sprankelende, spreidgraag. Ik sterf van beelden. / Alles aan u is anders, onbenaambaar, / Slechts vergelijkbaar…’
‘Ik beeld / Tot in het onverstaanbre.’

Eva en Adam zijn volwassen geworden; ze zijn zich bewust geworden van hun afgescheidenheid. Ze maken niet meer vanzelfsprekend deel uit van een geheel, maar bevinden zich door de reflectie tegenover de dingen.

Volgens Vestdijk berust geloof op het streven, onuitgesproken en onbewust, naar de vereniging met het ideaal van de volmaakte mens. Hij streeft een totaliteit na van duurzaam geluk. Het geloof verbindt het afzonderlijke met het oneindige. Geloof eist de totale mens en de gelovige is dan ook bereid voor zijn geloof te sterven op de brandstapel.
Waarom gelooft men? Omdat men er gelukkig van wordt. Dat streven naar geluk is een instinct. We verlangen naar vrijheid, onbezorgdheid, geborgenheid. We willen onze angst overwinnen, ons schuldgevoel, ons lijden.
Het jonge kind is in zekere zin nog volmaakt, maar onbewust, omdat het samenvalt met zijn verlangen en omdat de verrukking van het leven totaal lijkt en omdat zijn behoeften door de moeder volledig worden bevredigd: eten, drinken, koestering. (Dat geldt helaas niet altijd voor alle kinderen.) De kleuter kent af en toe nog de ongeremde vrolijkheid en levensblijheid, maar hij wordt al gehinderd door ik-bewustzijn, door zich te vergelijken met de andere kleuters en door zijn ‘bezittingen’ te verdedigen. De volwassenen hebben soms nog iets van het kind in zich bewaard, alle volwassenen wel iets, maar sommigen kennen het in ruime mate. Leo Vroman kon zo als een kind om zich heen kijken en genieten van het licht en de kleuren. We willen het geheim van het leven kennen, ontraadselen. Iemand die het duurzame geluk heeft bereikt, heeft geen behoefte meer aan religie: hij is een volmaakte geworden. Ieder mens beweegt zich in de richting van universaliteit tot hij in de dood aan het universum teruggegeven wordt en erin oplost. Dat is het. Dat is alles. Wij zijn zelf hier de werkelijkheid en er is niets daarbuiten, niets dan iets onbenoembaars, dat ons omringt, waarheen wij ons ‘verwijden’, maar dat wij nooit zullen ervaren en dat ons strikt genomen ook niet aangaat.
We streven naar een ideale toestand, die volgens Vestdijk vertegenwoordigd wordt door de eeuwige mens.
Bij het metafysische type pad naar de eeuwige mens wordt die als transcendent of metafysisch gezien. Het ideaal is dan niet door de mens ontworpen, maar door God, ook al kun je dat een projectie noemen, wat de gelovige uiteraard niet doet.
Bij het sociale type wordt het ideaal geprojecteerd op een toekomstige heilstaat: het gaat om een ‘hemel’ op aarde.
Bij het mystiek-introspectieve type is het ideaal te vinden in de mens zelf, waarbij de volte tegelijk de leegte is.



Maja Haderlap heeft met ‘De engel van het vergeten’ een boek geschreven over haar jeugd die ze niet kan vergeten. Het gaat over een meisje, Mic, dat geboren is als kind van een bosboer in Karinthië. Haar grootvader is door de Nazi’s getormenteerd. Hij deserteerde als Wehrmachtsoldaat en vluchtte de bossen in als partizaan. De vader van Mic werd als tienjarig jongetje door de Oostenrijkse politie aan zijn voeten opgehangen om hem te laten bekennen waar zijn vader was. De jongen werd de jongste partizaan en was voorgoed getraumatiseerd. Hij zoekt vergetelheid in hard werken. Alleen als hij dronken is, komen de angstgevoelens en zijn eenzaamheid, het wantrouwen, naar boven. Daardoor wordt zijn huwelijk ook verpest. De moeder van Mic lijdt er onder, maar meent dat ze niet van haar man kan scheiden. Ze raakt verbitterd, maar zorgt er voor dat haar dochter, die naar de vader trekt, naar het gymnasium kan en later theaterwetenschap gaat studeren in Wenen, net als de schrijfster.
Het Land Karinthië is in 1920 ontstaan uit het hoofddeel van het hertogdom Karinthië, een “kroonland” binnen het Oostenrijkse keizerrijk, dat na het verlies van de Eerste Wereldoorlog uiteenviel. Daarbij maakte het nieuwe Koninkrijk van Serven, Kroaten en Slovenen aanspraak op het zuidoosten van Karinthië, waar Slovenen wonen. Bij een volkstelling sprak een kleine 60% van de kiezers zich uit voor aansluiting bij Oostenrijk. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwamen de Slovenen in opstand tegen de Duitse overheersing. Later werd hun dat kwalijk genomen door Duitsgezinden. ‘Karinthië, spreek Duits! En ze doen het allemaal in hun broek, de Duitse taal wordt met oorvijgen en stokslagen in hun vingers en hun hoofd geramd. Ze groeten elkaar tot op de dag van vandaag met: Jij, smeerlap, jij met je stinkende gat, huilebalk, ben je nog steeds bang?’
Kortom, het was in de vorige eeuw altijd ellende in dat gebied. 
De grootmoeder van het meisje woont op de boerderij en zij is een ouderwets kruidenvrouwtje met allerlei huishoudelijke taken. Mic is op haar gesteld en zij krijgt te horen over Ravensbrück waar de vrouw was geïnterneerd en wat ze op wonderbaarlijke wijze overleefde, maar de ervaringen hebben ook haar getekend. De latere begrafenis van de vrouw wordt door het meisje nauwkeurig opgetekend, zoals de bidstonden bij de kist en het wegdragen van de gestorvene waarbij de kist ook in de deuropening wordt gezet, zodat het lichaam afscheid kan nemen van het huis en even later van de landerijen.
Er zijn twee ikken in het verhaal: de belevende en de beschouwende. De laatste weet het jonge kind goed te treffen in haar onwetendheid en onschuld. Als de grootmoeder een gerstekorrel aan haar ooglid ‘afbidt’: ‘Ik moet op haar voorbeden ne verujem – ik geloof niet – antwoorden en in de genezing geloven, zegt ze. (…) Omdat ik toegeef dat ik twijfel spreek ik de waarheid en werkt de magie van de woorden, dat verbeeld ik me tenminste, maar zeker weten doe ik het niet.’ Ouder wordend worstelt het kind met eenzelfde probleem als de vader: wat laat ze toe tot het bewustzijn? De werkelijkheid is vaak te erg. 
Behoort de volgende uitspraak tot de beleving van het kind of tot de beschouwing van de volwassen verteller? ‘De gebeden kunnen van het papier worden gelezen en worden aangeraakt, maar het is beter om ze uit je hoofd te leren, want de werking schuilt in het gesproken, niet in het geschreven woord.’ De laatste overtuiging past bij de theaterwetenschapster, die ook gedichten schrijft, in het Sloveens. Grootmoeder vertelt dat de Duitsers een Russin hadden doodgeslagen vanwege haar gedichten. Zo gevaarlijk kan taal zijn.
Haar wetenschappelijk werk is in het Duits, zo blijft ze gespleten. In het volgend citaat is de volwassen beschouwster aan het woord: ‘In de tijd dat ik bij het theater in Klagenfurt werk zal de Sloveense taal zich uit mijn teksten terugtrekken. Op een dag zal ik vaststellen dat ze in mijn notities en aantekeningen niet meer aanwezig is, dat ze uit mijn laden is verdwenen, dat ze mijn bureau heeft verlaten en haar mooiste kleren heeft meegenomen.’
Een andere bekende Sloveen is Peter Handke. Hij werd in Karinthië geboren als zoon van een Karinthisch-Sloveense kokkin. Op de Nederlandse uitgave van Haderlaps boek staat: ‘Wat een hartverscheurend verhaal’ – Peter Handke. Natuurlijk, Peter heeft alles herkend. ‘Roman’ staat ook op de voorkant van het boek. Dat lijkt me niet juist. Het is een verslag van een jeugd en ‘een standbeeld voor de vergetenen’.
Maja Haderlap, De engel van het vergeten, Cossee, Amsterdam 2019
300 bladzijden