Er is niet één berg.

Al die foto’s, al die prenten.

Hoeveel mensen staan er vóór?

Vergelijken met de Eiffeltoren

Met het Vrijheidsbeeld, de Zeemeermin?

 

Kegel, wit, bomen er vóór.

Heel lange helling, blauwe lucht

Wolkjes.

 

De berg beklimmen

Boven aankomen

De berg is koud en leeg

En vol.

 

 

Kijk niet om, zei je nog.

Ik loop mank van je slag

maar ik moet vluchten

met alles wat me lief is.

 

Jij blijft staan naast

vallende meubels, krakend hout.

Het dak valt open. Niets

kan de kamer redden.

 

Achter me hoor ik

het branden van het bed.

 

 

 

Ik omcirkelde je huis

brieven en telefoongesprekken

in mijn tas, ik zweeg een week

Toen belde ik je uit bed

 

en schreeuwde door de hoorn.

Je gooide je deur open

en liet me binnenstormen.

Ik rukte alle prenten

 

van de muur, verscheurde

je post, vertrapte je planten.

Sprakeloos zag je mijn angst

tot ik je neerhaalde op de vloer.

 

 

 

 

 

Alleen maar de kamer binnengaan

samen, een tas in de hand, een jas

misschien een bos bloemen, wijn

en twee glazen in de tas.

 

Verder niets, wellicht het bed

even zien, opgemaakt, het bad

leeg en schoon, de verborgen

belichting, de deur nog open.

 

 

 

 

Hoe alles begon uit het niets

zonder enig begrip voor kleur.

Er was alleen jij, altijd

zonder tijd, in het wit.

 

En jij zei ‘licht’

en ook het duister begon.

 

En de weg naar jou toe

het gras, water en lucht

kregen jouw glans

tot iedereen het zag.

 

 

De oude man zit in zijn kamer.

Hij dacht aan de zeeën en theaters

zijn vrouwen, de kinderen

die de wereld introkken.

 

Uit een binnenzak haalt hij een fotoblad.

Vouwt het uit, houdt het omhoog

en kijkt weer naar de foto’s

op het bijna versleten papier.

 

Hij ziet een man in een wit pak

met fijngesneden broek

een wit vest, passende das.

Op zijn hoofd een borsalino.

 

Nu ga ik het doen, denkt hij.

 

Hij komt een winkel uit

zet een witte, strooien hoed

een beetje scheef, trekt even

aan de zilveren ketting

streelt het smetteloze wit.

 

Vergeet de borsalino

strijkt over zijn witte snor

en stapt weer op zijn vouwfiets.

 

Een fiets met een pakjesdrager.

Onder de snelbinder een papieren zak

met zijn gewone kleding.

 

Hij rijdt rond door de stad

ziet passanten, lantaarnpalen

bloembakken, zebra’s.

 

Stopt bij drie meisjes.

Ze dansen een spel met wit elastiek.

Eén springt in het midden.

 

Rijdt verder tot een brug

stapt af en trekt de fiets omhoog.

Het is een houten boogbrug.

 

 

Zet de fiets tegen de railing.

Leunt tegen het hout.

Kijkt naar het water: klik!

 

Wandelt de brug af, ontmoet

een jongen, zegt iets, steekt

een sigaret op, lacht.

 

Vervolgt zijn weg, komt

bij een glazen gebouw

kijkt: een halve ziggurat.

 

Kijkt omhoog, met zijn handen

op zijn heupen, jasje open

hoed iets naar achter: klik!

 

Stapt over het plein met klinkers.

Kiest een rij en balanceert

over de stenen, zijn armen gespreid.

 

Keert aan het eind, kiest

een andere rij: klik!

Hij valt niet.

 

Tenslotte wandelt hij terug

pakt de fiets en rijdt

de helling af, in de vrijloop.

 

Rijdt langzaam naar huis.

Langs de dansende meisjes.

Denkt: dit is de mooiste dag.

 

 

De jonge vrouwelijke professor met de lange rokken verbaast zich met de kijker over van alles in het paradijselijke gastenverblijf voor enkele personen, op een Japans eilandje, vlak aan zee, in een verrukkelijk klimaat. Alles staat de hele dag open. De eigenaar, die niet te veel gasten wil, kookt heerlijk en zet het eten op Japanse wijze, zeer esthetisch, op de houten tafel. Men eet met stokjes en het ziet er aantrekkelijk uit.

Een wat oudere vrouw helpt. Zij is een boeddhistische lerares in de winter, met een durende glimlach. Aan het strand heeft zij een mooi houten paviljoentje waar ze schaafijs – het heerlijkste schaafijs ter wereld – verkoopt. Nee, niet verkoopt. Een kind krijgt het en geeft een tekening of een origamikikker. Een vrouw geeft verse groente.

Aanvankelijk moet de prof niet veel van haar hebben. Als ze wakker wordt in een mooie, lege kamer, zit de vrouw op haar knieën en wenst haar vriendelijk een goede morgen. De prof interpreteert het als opdringerigheid. Ze heeft ook moeite met het onbegrip van de eigenaar over ‘wat er te doen valt’. Te doen valt? Wat bedoelt u? ’s Morgens leidt de boeddhiste een soort ochtendgymnastiek aan zee, met vreemde bewegingen op onvergetelijke pianomuziek. Maar waar die vandaan komt?

De prov vertrekt naar een ander gastenverblijf, een soort commune, maar ze schrikt terug als haar een hak in handen worden geduwd, waarmee ze het land moet bewerken. Ze loopt uren terug, over de zandwegen, haar koffer achter zich aanslepend, tot ze doodmoe op de koffer gaat zitten. En dan komt uit de verte de boeddhistische op een driewieler met achterop een zitplaats. Ze neemt haar zwijgend mee. De koffer blijft staan. Die wordt kennelijk later opgepikt.

Nu wil de prof ook schaafijs. Ze neemt een hapje en ze kijkt verzaligd naar de kalme golfjes en naar de horizon. Ze is volkomen ontspannen en gelukkig. Ze haakt op het strand een sjaal, die meer uit gaten, dan uit wol bestaat. De leegte vormt de materie. Later draagt de boeddhistische de lange, oranje sjaal.

Er is een hond die af en toe in en uit beeld loopt, ook als de prof, de eigenaar-kok, de vrouw, een inwonende jonge lerares en de student van de prof die plotseling opduikt, allen schaafijs eten. Ze dragen allen brillen. De titel van de film is ‘Megane’ (Brillen).

==