Water is heilzaam.
Water reinigt en maakt schoon: zowel intern als extern is water heel belangrijk voor onze gezondheid en ons leven.  Het baden in warm water en krachtige bronnen was een algemeen gebruik. Natuurlijke bronnen zijn vaak heilzaam. Sommige bronnen zijn nog steeds bedevaartplaatsen voor de zieken en de zwakken. In Lourdes en in Kyoto.

 

Psychologisch symboliseren water en andere vloeistoffen vaak emoties, die moeten stromen om spontaan en levenskrachtig te blijven. Bevroren water in de droom kan wijzen op geremde emoties. Tranen kunnen een uiting zijn van de vernieuwing waarmee het terugvinden van het contact met emoties gepaard gaat.

 

In de oorspronkelijk Hebreeuwse tekst wordt in Genesis de hemel aangeduid met een dualis dat water(en) betekent. De geest gods zweefde over de wateren. God scheidt de hemelse wateren van de aardse wateren, de zeeën.

Chinezen beschouwden water als de woonplaats van de draak: een wijze god.

Bij Thales van Milete is water de oorsprong van alle dingen.

Water is als oerzee in veel scheppingsmythen de bron van alle leven, dat eruit opstijgt; tevens is het het element van oplossing en verdrinking. Dikwijls  worden wereldperioden uit de scheppingscyclus door een zondvloed beëindigd, waarbij de goden onwelgevallige levensvormen vernietigen.
Psychologisch is water een symbool van de onbewuste diepere lagen van de persoonlijkheid, waarin geheimzinnige wezens huizen (‑ vissen). Als een van de elementaire symbolen is het ambivalent, omdat het enerzijds leven en vruchtbaarheid schenkt, anderzijds verzinken en ondergang vertegenwoordigt. Elke avond zakt de zon in het water van de westelijke zee, om ’s nachts het dodenrijk te verwarmen; daardoor staat het water ook in relatie met het hiernamaals. Dikwijls worden de ‘onderaardse wateren’ met de chaos van de oertijd geassocieerd, terwijl het uit de hemel vallende regenwater als levenschenkend wordt beschouwd. Draaikolken (‑ spiraal) verbeelden moeilijkheden en ommekeer, rustig voortstormende rivieren het planmatig verlopende leven. Vijvers en poelen van vooral ook bronwateren worden in veel culturen als verblijfplaats van natuurgeesten beschouwd, van nixen en nimfen, van diverse voorspellende  (en vaak ook gevaarlijke) waterdemonen. Ook hierin komt de tweeduidige symboliek van het water tot uiting. Een soort dualiteit vormt in het christelijke sacrament het met wijn vermengde water, waarbij het passieve element vermengd wordt met het ‘vuur’ van de wijn, wat duidt op de twee naturen (God en mens) in de persoon van Jezus. Ook het beeld van de Temperantia (matiging), bijv. op tarotkaarten, vertoont de vermenging van water en wijn. Water speelt in de christelijke iconografie overigens vooral een rol als reinigend element, dat bij de doop de smetten van de zonde afwast.  Bekend is het veelvuldige gebruik van wijwater in de katholieke kerk. Het wassen van boeddhistische beelden in het verre Oosten. Men kent zowel het nog niet met zalfolie (chrisma) vermengde wijwater als het op bepaalde hoogtijdagen gezegende ‘aqua benedicta’, dat gelovigen mee naar huis nemen om er hun wijwaterbakje mee te vullen. Men doopt er de vingers in om het kruisteken te maken, terwijl ook wel druppeltjes van het gewijde water in huis geplengd worden. De volksvroomheid wil dat op aarde gesprenkelde wijwaterdruppeltjes ook de ,arme zielen in het vagevuur’ helpen en de gloed van de louterende vlammen verzachten. Een nicht van mij nam water mee uit Lourdes. Als het flesje bijna leeg was, vulde ze het aan met kraanwater. De heilzame kracht bleef immers gespaard.

Advertenties

 

 

Water ziet er steeds weer anders uit. Uitkijkend over de zee bij Skye, kun je dat goed zien.
De betekenis van water, filosofisch, psychologisch en zelfs spiritueel is in veel literatuur te vinden. Grote geesten keken al meer dan duizend jaar uit over water en zagen verschijnselen en trokken hun conclusies.
.
Wist u  dat wij anders dan andere apen kleine zwemvliezen hebben tussen duim en vingers en dat we daarom naar het water worden getrokken? Mark Harris speelde in ‘Man from Atlantis’ een overlevende van het verloren continent. Harris heeft bovenmenselijke krachten, zo kan hij onder water ademhalen en extreme dieptedruk weerstaan. Veel mensen keken naar de serie omdat de zwemmende man een fascinerende werking had.

Water is goed voor ziel en lichaam.

Wist u dat als een regenboog meer rood heeft, de druppels van de regen groter zijn?

De eilandbewoners van de Pacific konden het water lezen. Ze hadden geen kaarten, geen kompas of sextant, maar ze wisten waar ze naar toe moesten en hoe ze zich moesten gedragen bij tornado’s.

Op de Chinese zee, berucht om zijn stormen, dobbert een beroemde kapitein in een kano. Alleen door een dierenhuid en een paar latjes is hij beschermd tegen het diepe water. Een scheepsbemanning ziet hem en vraagt of hij niet aan boord wil komen, maar de kapitein zegt dat hij dat alleen wil doen als hij zo veel dinars krijgt. Ze besluiten om te betalen. Eenmaal aan boord waarschuwt hij voor een storm. Hij wil wel adviezen geven. Ze moeten hun lading overboord gooien en de grote mast omzagen. Daarna moeten ze de kabel naar het grote anker doorsnijden en het schip laten drijven. Na drie dagen komen ze in een typhoon, die drie dagen en nachten huishoudt. De geringe zwaarte van het schip laat hen drijven op de golven als een kurk. Op de vierde dag wordt het kalm en varen ze verder naar China. Op de weg terug van China, met nieuwe lading, vraagt de kapitein op een bepaalde plek te stoppen, een sloep uit te laten gaan en het verloren anker op te halen. De bemanning is verbijsterd en vraagt de kapitein hoe hij wist waar het anker was en hoe hij de typhoon kon voorspellen. Hij antwoordt dat kennis van de maan, de getijden, de wind en de signalen van het water alles voorspelbaar maakt. Zo kon hij het water lezen. (Tristan Cooley, How to read water)

Bij lage druk is de capilaire werking van bodem en wortels geringer en laat het land water los waardoor het in de bergen allerlei stromen laat lopen, die zich verzamelen tot beekjes, riviertjes en uiteindelijk zie je bijvoorbeeld in de stad Inverness (aan de mond van de Ness) de rivier woest stromen naar zee. Het lijkt op de mensen die uiteindelijk samen komen in de stad, neerdruppelend uit de bergen rondom de stad

 

 

 

 

Veel mensen zeggen tegen mij dat ik iets

te maken heb met ‘minder is meer’.

 

Verwijder de dingen die niet meer echt zijn

niet meer van belang of niet functioneel.

 

Wat is je definitie van bewustzijn?

Heeft de realiteit alleen jouw betekenis?

 

Je kunt communiceren met symbolen

van abstracties, geef structuur aan je gedachten.

 

Ga je naar binnen om de berg te schoppen?

Niet-figuratieve kunst of niet-objectieve kunst

 

kijk niet meer door een raam naar de afbeelding.

Dat geeft een andere relatie tussen jou en de dingen.

 

(Met dank aan Robert Irwin)

 

 

 

Wat is de beweging die je maakt

tijdens eens gesprek: en toen

zei ik: ja, het was een gelukkig toeval

dat ik die weg insloeg.

 

In de woorden voel je de zwaai naar links

die je maakte. Wat was het? Een weg

een zandpad? Bomen aan de kant

groene houten huizen verderop

waarvan de deuren openstonden

waarin je werd toegelaten, bloemen

gastvrijheid, een gelukkig toeval

of toegeven aan de weg die je moest gaan?

 

Er is tegenstelling tussen de Stoa en ‘het verlangen naar ontroostbaarheid’.

‘Ja, altijd.

Op de achtergrond van het schilderij zien we het ronde kamerscherm met die bloemmotieven. Jan Mankes heeft dat scherm vaker gebruikt. Het borduurwerk en dat wat erop uitgebeeld wordt is wat vaag. Het lijkt ook wel op gebaren van mensen.

Ik hou van de kleine dingen van het leven en niet van het grote spektakel: kleine dingen en weinig woorden. Zoeken naar eenvoud van de oppervlakte en complexiteit in de ondergrond zie ik als mijn opdracht als dichter.

De ‘wei’ moet je lezen als ‘afgeroomde melk’. Dat is ook de kleur van de fles.’

 

Ik dacht aan grasland. In het Fries betekent ‘wei’ ook weg.

‘O, dat is mooi om te weten. Bij Mankes zijn op de landschappelijke schilderijen vaak wegen te zien, met een enkele wandelaar, verdroomd, in blauw-groene kleuren. De weg is bij hem belangrijk.

In dit gedicht is het noodlot al aanwezig (‘bestiering’). Mankes is gestorven aan de Spaanse griep. Hij was al zwak door tuberculose. Maar ik had het idee dat hij al heel vroeg een fragiel soort mens was. Er is blijkbaar een identificatie met het jongetje op het geschilderde portret dat in het bezit was van de familie Otten.  Willem Jan Otten schrijft daarover. Mankes wilde dat portret eigenlijk niet verkopen, omdat vlak na het schilderen dat jongetje was gestorven. Een soort ‘verlangen naar ontroostbaarheid’.’

 

In het gedicht over de kraai gaat het over ‘aandachtigheid’.

‘De zin van de dingen in eeuwigheidslicht. Orbis alius, de andere wereld. Ik geloof niet zo erg in een leven na de dood, maar als ik naar zo’n schilderij kijk, is het een handig beeld om te exploiteren. Voor de poëzie heb je die spanningen nodig, tussen hier en daar, tussen nu en toen. Je zou willen dat het allemaal zin had, ja.

Er is een mooi verhaal van Sartre over het egoïsme van de schilder. Hij spreekt over het lot van de schilder. De schilder komt op een mooie zonnige dag bij een vijver, omringd door riet, onbeschenen water met eenden en hij denkt: o, dat mij dat beschoren is om dat te mogen zien. En het volgende ogenblik denkt hij: maar is het ook zo bedoeld? En dan zet hij zijn ezel neer en gaat schilderen en kiezen doelbewust: dit blauw en dat geel. Het is zo bedoeld en hij zet zijn naam onderaan.’

 

 

 

==

Eerder gepubliceerd in ‘Schrijven’ (okt.2018)

 

 

Dat doet me denken aan Elisabeth Eybers. Wist je trouwens dat Ed Leeflang ook een gedicht over de asperges van Coorte heeft geschreven?

‘Ja, ik weet het, maar ik ken het niet. Ik heb nog geen tijd gehad om het op te zoeken. Ik ken wel het gedicht van Faverey. In ieder geval is Coorte schijnbaar wel bekend bij de Nederlandse dichters

Hij hangt in de musea samen met Rembrandt, Van Ruisdael en Vermeer.

De ‘beste vriende’ aan het slot zijn de mispels.’

 

Ach, dat heb ik verkeerd begrepen. Ik dacht aan de schilders.

‘Het hele gedicht gaat toch over de mispels. Hij identificeert zich met die vruchten.’

 

En vervolgens identificeer jij je met de schilder.

‘Precies, met de kwaliteit van zijn aandacht.’

 

In het gedicht over de bosaardbei veronderstel je dat Coorte apotheker was. Daar citeer je ook een titel van Patricia de Martelaere: ‘verlangen naar ontroostbaarheid’.

‘Zij heeft zeer veel invloed op mij gehad als filosofe. Vooral haar opstel over de wijze waarop in de literatuur omgesprongen wordt met rouw. Lijden, verlies en rouw worden met opzet door schrijvers overdreven. Dat soort retorische overdrijving hebben wij als mensen (lezers) schijnbaar nodig. Denk aan Julia van Romeo die zich na de dood van Romeo met een dolk doorsteekt en niet zegt: nu ga ik thee drinken om even tot mezelf te komen. We moeten blijkbaar in de literatuur de melancholie, de verkeerde rouw volhouden in plaats van een beetje verstandig burger te zijn. Ik vind De Martelaere ook belangrijk vanwege haar belangstelling voor het Oosterse denken en haar filosofische omgang met haar eigen ziekte.

 

De laatste strofe van dit gedicht gaat zo:

 

‘Als zij verwonder / naar je kijkt, gebaar je: stil,/ neem, en luister maar – je goede / vriend komt overeind, stroef van reumatiek. / Met nagels tikkend op de vloer vertrekt hij / door de binnendeur, de zwarte hond / die dikwijls heet: verlangen / naar ontroostbaarheid.’

‘Ik stel me voor dat Coorte als apotheker mensen behandelde tegen melancholie. De bosaardbei (Fragaria vesca) heeft stoffen die daartegen helpen. ‘de zwarte hond’ is de melancholie, de depressie. De patiënt zou worden geholpen door te kijken naar het schilderij en vervolgens krijgt hij een extract van die vruchten.

Elisabeth Eybers zegt het zo mooi:

 

Navrae (Balans 1962)

 

Die aard van angs is dat dit tydelik kwel.

Verdriet, volgens ’n ou ballade, duur

twaalf maande en ’n dag, tot op die uur.

Die ritueel van rou is vasgestel.

 

Vreemd, van berou word nie so veel vertel.

Waar vind ’n mens ’n betroubare gedig

om jou oor die vervaldatum in te lig

van daardie individueler hel?

 

Je moet het rouwen kunnen loslaten. Meestal ziekt het uit, maar soms is er een verknochtheid aan de rouw en een verknochtheid aan de leegte. Je kunt teren op verlies. Dat is niet goed voor je geestelijke gezondheid, maar de kunst (waarin ongezonde rouw vaak wordt gekoesterd) kan een troost zijn voor depressie.

 

Bij een schilderij van een olieflesje van Jan Mankes:

 

‘Elke voorwerp is ’n selfportret,

ook hierdie fles, ’n vyfde vol,

gekurk tot in die nek teen onnodige

verspilling, ’n skouer glas wat die spel

gedoog van lig en van bestiering,

’n siel wat sy besinksel stoïsyns

verdra, en dan nog die bekleding,

innerlik, met ’n opaak beslag

van melk. Alles blyk loodreg betrek

in hierdie kloustrofobe droom – tafelblad,

linne, monochroom in die geronde

raam van ’n kamerskerm

waarop die mimiek, floraal,

dié van ’n skare lyk, langsaam

dansend, onbepaald, in die wei

van verganklikheid.’

 

Jan Mankes was zuinig, zoals blijkt uit de woordgroep ‘onnodige verspilling’. Dat spreekt je aan als kind op een boerderij. Boeren moeten zuinig met spullen omgaan.

‘Ja, vooral met woorden. Eybers zegt in haar gedicht “Gedagte”: uit Dryfsand 1985: ek [bly] wars van ’n skuimende vloed/en sal eerder in terugsluk as uitstort verstik.

De Stoa: ‘dat men zich niet vermoeid moet maken’, zegt Aurelius ergens, ‘met dingen waar je toch niets aan kunt doen.’ Alleen aan dingen die je wel kunt veranderen, moet je veel aandacht geven.’

 

 

Marlene van Niekerk werd in 1954 geboren te Caledon op de boerderij (plaas) Tygerhoek bij Riviersonderend. Ze studeerde literatuur en filosofie aan de Universiteit van Stellenbosch. In 1978 studeerde zij af met de scriptie ‘Die aard en belang van die literêre vormgewing in ‘Also sprach Zarathustra’’. Later studeerde ze filosofie en antropologie aan de UVA 1980 – 1985

Zij ontving vele prijzen voor dichtbundels en romans, onder andere ‘Agaat’.

Zij is nu docent creatief schrijven aan de Universiteit van Stellenbosch.

Onlangs verscheen een bundel gedichten over schilderijen van Adriaen Coorte en Jan Mankes: ‘In de stille achterkamer’.

 

 

Wat een mooie uitgave van Querido!

MvN: ‘In Zuid-Afrika is de tekst van de gedichten in twee aparte boekjes uitgegeven.

Ik heb speciaal op de lay-out in deze uitgave gelet. Het is zo gemaakt dat dat de tekst visueel past bij ieder schilderij.

 

Ben je ook schilder? Want je weet veel van de techniek, van de verf.

‘Nee. Dat heb ik vroeger op school geleerd, en later veel over gelezen.’

 

Je hebt je verdiept in het leven van Coorte, waarvan we niet veel weten.

‘Ik heb het boekje van De Jongh en Plankeel (2015) bestudeerd, waarin gegevens staan over verkopen van zijn schilderijen etc.’

 

Zo wist je ook dat hij misschien apotheker was?

‘Nee, dat heb ik alleen gesuggereerd. Dat is mijn conjectie (toevoeging).

 

In ’n vatting van gekraakte

plint en pieterselievlinder

van ’n ligakkoord op drie

ryp mispels. Jy weet waarom

jy hulle huis toe bring –

dit skeel hul nie dat jy hul

lydsaamheid begeer, hul soet

vermolmings as dade

van jou eie sterflikheid

herken. Op hul voetstuk

van bewerkte klip,

deur ’n skoenlapper

besoek, vang jy hul opulente

ongetraaktheid vas en weet

jou daarby ingereken,

raakgetel, eendag,

maak nie saak wanneer,

in ’n museum met Rembrandts,

Ruisdaels en Vermeers –

deur jou beste vriende

vergesel.

 

De vertaling is van de dichteres met hulp van Henda Strydom:

 

In een kader van gekraakte / plint en peterselievlinder / valt een lichtakkoord op drie / rijpe mispels. Jij weet waarom / je ze hebt meegenomen – / het deert ze niet dat je hun / lijdzaamheid begeert, hun zoete / bederf als een verrichting / van je eigen sterfelijkheid /

herkent. Op het voetstuk / van bewerkte steen, door een /schoenlapper bezocht, strik / jij hun gulle onverstoor- / baarheid en weet je daardoor / inbegrepen, meegeteld, eens, / het maakt niet uit wanneer, / in een museum met Rembrandt,  / Van Ruisdael, Vermeer – / door je beste vrienden / vergezeld.

 

De ‘vatting’ of ‘het kader’ heeft betrekking op de compositie.

‘Ja, de mispels liggen tussen de vlinder en de steen.’

 

En de plint is van steen? Bij ons is een plint meestal van hout.

‘Ach, dat wist ik niet. Een plint is in Zuid-Afrika van steen.’

 

Een peterselievlinder heet ook wel ‘oranjetip’.

‘De verwijzing heb ik uit een gedicht van Faverey. Hij noemt het ook een peterselievlinder. Ik ben een groot liefhebber van kleine beestjes.’

 

Vlinders komen vaker voor in je werk. Ook in ‘Agaat’.

Mispels zijn meestal bruin. Hier zijn ze eerder rood.

‘Ik kende ze als kind. Ze worden pas gegeten als ze helemaal bruin zijn. Ze moeten eerst fermenteren, nadat ze een beetje bevroren waren. Dan zijn ze lekker. Rood? Ik weet niet of het ligt aan de kwaliteit van de reproductie die ik heb gezien, maar als de schilder ze zou maken in de kleur die ik me herinner, dan was er waarschijnlijk niet genoeg contrast met de achtergrond op het schilderij.

Coorte lijkt zich te vereenzelvigen met de mispels. Vaak vind je in zijn schilderijen de aanzet tot bederf. De vanitas-schilderijen die hij heeft gemaakt, wijzen op een zeer groot bewustzijn van de ijdelheid van het leven, ook al is het in zijn tijd de mode. Hij is toch zeer betrokken bij die retoriek van het bederf.’

 

De Schoenlapper is ook een vlinder. Hij wordt ook wel Admiraalsvlinder genoemd of, bekender, Atalanta.

‘Vanwege de klem op de syllaben moest ik aanpassingen maken. ‘schoenlapper’ loopt beter dan ‘admiraalsvlinder’. Ik wil ook afwisseling. Er moet niet te vaak ‘vlinder’staan. Ik wist niet dat je het woord ‘schoenlapper’ alleen mag gebruiken voor de ‘admiraalsvlinder’. Wij kunnen ‘schoenlapper’ zeggen voor hetzelfde beestje als de pieterselievlinder.

Ik vind het ritme belangrijk. Alles gaat voor mij met een soort jambische pols en ik wil die niet al te veel verstoren, maar ik wil hem ook niet al te dreunerig maken. Het moet levend blijven; soms met kleine stollingen.’

 

Ik vind ‘gul’ in de vertaling voor ‘opulent’ heel mooi. Heb je dat zelf gevonden?

‘Ja, het is eigenlijk mooier. Vaak zijn de vertalingen beter geworden dan het oorspronkelijke gedicht. Na afloop van het proces van de vertalingen, zijn de oorspronkelijke gedichten vaak bijgespijkerd om te kunnen stand houden tegen de vertaling. Ik weet niet meer wat de oorsprong was. Die is verdwenen. De gedichten spoken tussen de twee talen.’