Zij schuift een brief onder de steen.
‘Ja’, zegt ze: ‘zo praat ik met mijn man.
De volgende dag is de brief altijd weg.
Zo weet ik dat hij hem heeft gelezen.’


’En hoe moet het dan met het antwoord?’, vraag ik.

’Antwoord? Er is geen antwoord.
Er is een brief van mij en die wordt gelezen.
En de volgende dag is er een nieuwe brief.’


’Wat schrijf je dan?’

‘Waar ik ben gebleven. Dat de akelei bloeit.
Dat ik een blauwborst zag in het riet.’

An English Hawk in Tuscany: John Hawkwood, condottiere

by

Rien van Nek (Translator)
Long poem about John Hawkwood, about power and war.
“Conferring knighthood on a mercenary”
says a knight, “is covering up
a dung-heap with a silk sheet
to stop it from stinking.”
Knights protecting women and orphans?
No way, protecting their profits!

Er loopt een geit te blèren
en mijn moeder die wordt gek.
Ze loopt te roepen dat hij op moet
houden. Daarvan word ik gek.

Die geit kan me niet veel schelen
maar met mijn moeder heb ik te doen.
Ze loopt met proppen in haar oren
zenuwachtig door de lange gang.

Zij hoort niet wat wij vragen
maar vraagt of wij die geit niet horen
waarom wij niet protesteren
en de geit trekt aan zijn touw.

 

 

 

Het meisje, de jonge vrouw luistert

naar de muziek, Wohltemperiertes.

 

Wat nu als iemand, een jongen

een man, haar zachtjes benadert

en haar kust achter en onder haar oor

tegen de haargrens aan, het opgebonden

haar, zo dat ze het nauwelijks merkt

omdat ze zo geconcentreerd luistert?

 

En dan gaat hij zachtjes met zijn mond

over haar wang naar haar mond

en hij kust haar daar, zodat ze wel moet

merken wat er gebeurt, zou ze dan

dankbaar haar mond een beetje openen

en de kus ontvangen?

 

Een andere man kijkt naar het raam

in de kerk en verwondert zich over

de esthetiek van de lijnen

de hoogoprijzende zingende

in de gothische boog. Hij hoort

de muziek en geniet van het raam.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Napoleon bekeek in 1811 de meest noorderlijke havenstad en besloot dat deze een oorlogshaven moest worden. Even later verordonneerde hij dat er haast moest worden gemaakt met de bouwwerkzaamheden aan het Marine-etablissement (de Werf), de forten l’Ecluse (Dirks Admiraal), Lasalle (Erfprins), Morland (Kijkduin) en een verbindingswal met een gracht (de Linie).  Het resultaat was een imposante verdedigingslinie van forten, kustverdediging en verbindingswallen – De Linie – van ongeveer 5 kilometer lang, waar R. leerde schaatsen van G. toen zij een jaar in Den Helder was. Dat schaatsen werd geen succes, evenmin de verhouding met G. Ze vertrok weer naar Indonesië met haar ouders, zeer tegen haar zin, omdat daar geen Lyceum was.
Nu liepen we langs de Linie door een smal bos. De zon scheen en af en toe dacht ik dat we in het buitenland waren. We liepen tot fort Dirks Admiraal, achter het ziekenhuis, over een schelpenpad omzoomd met een weelde aan bloemen. Bij veel bloemen stond ze stil, net als bij de wandelaars met een hond. Ze complimenteerde de honden en werd bedankt door de bazen of bazinnen. ‘Wat een mooie ogen heeft uw hond!’
‘Dank u wel.’
‘Wat een mooie sterke honden…’
‘Dank u wel.’
Bij een sluisje liet de eigenaar van een kleine hond een kunststukje zien. Hij wierp een strootje in het water, dat zeker een meter diep lag, maar het hondje sprong er na enige aarzeling in en zwom terug naar de graskant met het strootje in haar bek. Nu zei R: ‘Dank u wel.’
Aan het eind van het pad klom ik omhoog op het Schapendijkje, zag de zee en mompelde ‘Adieu Thalassa.’
We besloten te gaan kijken bij het Balgzand, waar we altijd aan voorbij reden. Vijftig jaar geleden zei een leraar: ‘Jullie moeten naar het Balgzand, vogels kijken.’ Ik kwam nooit verder dan het Kuitje, fietsend vanaf de andere kant.
Toen we de auto neerzetten, zagen we drie mensen blij kijken. Ze zaten in het uniform van vogelbeschermers op plastic stoelen voor een huis te wachten op publiek. Een vrouw ging ons voor naar binnen en vroeg of we boven wilden komen. Daar waren veel opgezette vogels te zien en zandtafels met schelpen. Ze vertelde de verhalen die ze aan groepen kinderen vertelde, over een strandgaper bijvoorbeeld die ooit mee kwam met de Vikingen uit Groenland naar Denemarken. De Vikingen namen de dieren mee als voedsel en wat over was, werd bij thuiskomst overboord gekieperd. Zo kwam deze exoot in het Waddengebied. Beneden stonden microscopen opgesteld waardoor je levende zeepieren kon bekijken en een kleine anemoon. Vroeger reeg ik de zeepieren aan een haakje en ik wist niet hoe mooi ze waren. Hun borstels leken voorbeelden van fractals. Een man liet ons aquaria zien met hele kleine tongen, bijna onzichtbaar op de zandbodem en knorhanen, die zich verstopten in een kleipijp, maar die tevoorschijn kwamen toen er een zeepier in het water werd gegooid.
We liepen daarna de dijk op en ‘daar deed zich heerlijk open’: het wad.
Op de terugweg stopten we bij een vogelkijkplaats met levende vogels: eenden, futen, ganzen, maar ik had meer belangstelling voor drie Italiaanse vrouwen, die aan het eten waren. Een vrouw voerde haar kleine dochter stukjes appel.

 

 

= We wilden eten bij een visrestautrant, maar het personeel zat bij elkaar uit te hijgen of te genieten van de rust en keek medelijdend. ‘We zijn dicht, maar morgen zijn we tot 21.30 uuropen.’
‘Is het wel lekker hier?’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Dan komen we morgen terug.’
We liepen verder en kwamen bij de Chinese Muur, kregen veel te veel en mochten de rest meenemen in een door hen verstrekt bakje.

‘Rijwielhandel Isendoorn’; het staat er nog steeds. Ik besluit mijn auto aan de kant te zetten en poolshoogte te nemen. Er komt een man uit een auto met dezelfde naam.
Ik zeg: ‘Ik zoek Henk Isendoorn.’
‘Dan ben je 47 jaar te laat want hij is al zo lang dood.’
‘Maar de naam staat er nog steeds?’
‘Dat klopt, mijn naam is dat ook. Ik ben een neef van Henk.’
‘Wat een aardige man was dat.’
‘Ja, en wie bent u dan wel?’
‘Ik woonde hier vlak bij in de Lorentzstraat.’
‘Waar? O, in de Lorènstraat.’
‘Nee, Lórentzstraaat.’
Hij kijkt me aan en we denken beiden hetzelfde. Het uitspraakverschil was een standenverschil.
‘Maar goed, mijn broer kwam vaak bij Henk wat ouwehoeren en later kwam ik met hem mee. Er waren altijd jongens in de werkplaats. Henk luisterde naar hun verhalen terwijl hij fietsen repareerde.’
‘Ja, dat verhaal ken ik wel. Nou ja, je bent dus te laat. Nooit meer gekomen hier?’
‘Wel in Den Helder, maar niet hier.’

Later denk ik aan het verhaal dat mijn broer vertelde. Eén maal per maand waste Henk met veel moeite het zwart van zijn handen en onder zijn nagels, stapte op de trein naar Amsterdam voor een bezoek aan de Wallen. Die waren toen nog niet een openbare ramp.

Voor het visrestaurant staat een enorme duckdalf van metaal met daarop in kapitalen teksten die te maken hebben met zee en Den Helder, bijvoorbeeld ‘trossen’ en ‘meeuwen’ en ‘Elisabethsvloed’ en ‘Oostindische Compagnie’. Tot mijn verbazing staat er ook ‘De Feeëntrein eindpunt Den Helder’. Twee Duitse schilders maken een straatschildering met golven en een vlet. De schildering is perspectivisch. Een paar witte voeten geeft aan: hier moet je staan voor een foto.
Binnen is het druk. We moeten even wachten, maar de jonge vrouw die bestellingen opneemt, zegt: ‘Jullie waren hier gisteravond ook hè, toen we al dicht waren.’ En als ze nog een keer langskomt: ‘Waar hebben jullie toen gegeten? O, bij de Chinese Muur… ja, dat is vlak bij.’ Ze brengt een bord met scholfilet en een bord met kabeljouw. Flinke stukken, met frites en ijsbergsla waarbij een stuk meloen, ananas,een halve aardbei, twee schijfjes tomaat en een bakje met ravigottesaus. Aan een tafel naast ons zit een demente vrouw met haar zoon. Ze heeft eerst wienermelange gekregen en nu thee. Haar zoon helpt haar met het theezakje. Hij heeft zelf rumcola met ijsblokjes. Hij doet een ijsblokje in haar thee, zodat de thee niet meer zo heet is. Ze zeggen weinig of niets. Een man komt langs met een dikke zuurstok van een meter. Hij zegt dat hij die van zijn dochter heeft gekregen op de kermis. Hij wordt maandag 74. De stok is pas op als hij 75 is. Aan een andere tafel is een man druk aan het praten over een houten constructie. Hij haalt hem op en zegt tegen de serveerster: ‘Ik loop niet weg hoor!’ en later ‘Daar ben ik weer.’ De constructie klapt hij open. Ik kan niet zien wat het voorstelt. Misschien een boekenstandaard. ‘Je mag raden hoeveel deze kost.’ Een vijftig, een punt vijftig. En dat voor een stukje vakmanschap. Ik snap het niet.’

‘Zo helder is het niet zo zelden
hier aan de zee, waar de wolken
schijnen in het water,’ schreef ik ooit.

Alleen was het vandaag niet helder; een beetje regen, drukke golven. De Razende Bol lag er een beetje mistig geel, terwijl die anders zo stralend wit is.
Het gedicht schreef ik na een bezoek aan Den Helder met Tiete, 91 jaar, die nog één maal de zee wou zien. Het was stralend weer en ze zei: ‘Ga jij maar zwemmen, dan ga ik naar je kijken.’ Toen ik terugkwam uit het water, zei ze: “Het water is een spiegel, letterlijk.’ Daarom staat er in het gedicht: ‘het water een spiegel, geen metafoor.’

Op het strand bij Huisduinen was een schoolklas zich aan het aankleden. Ze hadden gezwommen – vast niet allemaal. Een jongen zei dat het wel koud was, toen hij uit het water kwam. Maar ze waren vrolijk en met elkaar.
Ik ging even zitten op een bank bij een strandpaviljoen. Een jong meisje zei dat ik wel naar binnen mocht door de deur. Binnen zat haar vader. Nee, er was geen koffie, want ze waren dicht. Er kwam straks een groep. Ik kon koffie drinken, daar en hij wees, maar daar kwamen we net vandaan.
Later dronken we koffie bij Lands End, waar de Texelse boot aankomt. We ontmoetten buiten het Drentse echtpaar dat aan R. bij het ontbijt had gebraagd of ze Den Helder kende en waar ze naar toe moesten. Ze waren op de electrische fiets langs de dijk gereden en omdat het licht regende wilden ze nu naar het Marinemuseum. Ze hadden koffie bij zich, want in het hotel hadden ze een appartement gekregen omdat de man niet goed kon lopen. Er was een keukentje bij en ze wilden graag zuinig leven. De fiets kon wel 150 km rijden op de accu. De man zei dat ik onze fiets die maar 30 km kon een schop moest geven. En ik moest een andere accu vragen.
In Lands End kwamen vier mannelijke marinemensen en een vrouw. Ze had een lagere rang dan de mannen: sergeant. Ze zag er heel vrouwelijk uit met haar blouse en rok in marinekleuren. De hoogste was een Kapitein-luitenant ter Zee, een Overste. Ze dronken sinaasappelsap of water. De mannen praatten met elkaar.

Wij zochten naar de roodborsttapuit in de duinen. Wel zagen we door het bos een buizerd vliegen. R zag enkele orchissen en veel planten en bloemen die haar deden vragen: ‘Waar is ons herbarium eigenlijk gebleven? Hebben we dat opgeruimd?
Jammer.’ Na de wandeling kochten we ijs bij een mopperende beheerder van een uitspanning. Het was een slecht seizoen. Of te warm of te koud en te veel regen. ‘Misschien wordt het nog wat’, troostte R.
Een dag eerder liet ik haar de kleine camping zien waar ik vorig jaar een paar nachten stond met een mini-tent. De eigenaar met ringen in oren en neus vertelde dat hij er mee was opgehouden: te veel regels. Iemand was al 20 jaar daar gekomen in de zomer. Nu was het afgelopen. Ik wilde dit jaar ook nog bij hem kamperen, maar dat gaat dus niet meer. Bij Donkere Duinen is een grote camping. Daar dan toch maar?
We waren gister in de mooiste bibliotheek van de wereld volgens Den Helder, gemaakt in de oude school waar R en ik elkaar voor het eerst hebben ontmoet (Zie de Feeëntrein).