Van het meisje van zestien jaar
zijn dit de bommen, kijk er naar
zegt ze, voor ik ze laat ontploffen
hier in Damaturu bij het busstation.
De bedelende kinderen en pindaverkopers
zullen met mij sterven en opgaan
in het paradijs dat Boko Haram
mij heeft beloofd; wat moet ik nog?
Onteerd, beroofd van alles wat me lief was
wat moeten de bedelaartjes verwachten
of die anderen die hier proberen te leven?
Ik ga ze verlossen: nu trek ik aan het koord.
Zij geeft zich niet
nooit als een lappenpop
hop over de sofa.
Krijgt, maakt of neemt ze
een kind?
Krijgen lijkt het beste
van de omstandigheden
het toeval, noodlot
zin misschien.
Hoe dan als het stikt
dood blijft in de wieg
of al groter van het balkon
hop over de rand.
In je armen
met rimpels
net zo toevallig
als een vogel.
Het hert in doodsnood, stil gelegd
door de honden, de beeldhouwer
die hem met zijn grote gewei
dat niet hielp tegen de honden
maakte tot een fontein.
Wijd spat de straal in het groene water
dat bomen weerspiegelt.
Aan de rand van de vijver
op een brede rand staat
de nijlgans onverschillig
met gedraaide kop
een andere kant op te kijken.

Eindelijk is de Ansgari-kerk in Hage open. Een bruiloft, nee, twee bruiloften. Als we langs rijden, zien we een koetsje met twee paarden. Het lijkt een lijkkoets. De paarden hebben zwarte mutsen op.

Ik draai het parkeerterrein op van de Edeka of van de kerk en zie bruidsgasten in hun auto stappen. Opschieten dus. De bruiloft is al achter de rug, maar bij de kerk aangekomen, staat een bruidspaar achterin klaar op binnengeleid te worden. De dominee vraagt of ik een bruiloftgast ben. Nee? Geen probleem, ik mag achteraan zitten, maar even wachten. Hij geeft een teken en duwt zachtjes tegen het bruidspaar, André en Tanja. De bekende bruilofsmars wordt gespeeld op het orgel. De gasten staan en André en Tanja schrijden achter de dominee, die een beetje op Toon Hermans lijkt. Hij heeft een schattig Evangelisch strikje om zijn hals, boven de zwarte toga. André is al grijs en Tanja lijkt naast hem erg jong. Toch is ze misschien al veertig. Ze heeft een slank figuur en een mooie afkledende bruidsjapon, een sluier op haar hoofd, die het gezicht en de ogen vrij laat. De dominee brengt ze naar twee stoelen voor het altaar. Ze omhelzen elkaar even voor ze gaan zitten. Daarna kunnen ze het drieluik uitvoerig bestuderen.
De dominee zegt iets inleidends en geeft een zangeres met microfoon de gelegenheid te gaan zingen. Er wordt een band aangezet en zij zingt met overgave een bekende smartlap, die bij elk couplet een toon hoger inzet. Jammer genoeg staat het geluid te hard en heeft ze niet zo’n mooie stem, maar ze zal ongetwijfeld na de dienst vele complimenten krijgen. Daarna spreekt de dominee het bruidspaar toe. Hij geeft de gebruikelijke waarschuwingen. Heeft het ook over kinderen. Is Tanja toch nog wat jonger? Als het volk daarna gaat zingen, houden wij het voor gezien en verdwijnen zachtjes uit de kerk, die buiten enorm is, maar binnen een beetje tegenviel.
Op de terp waar de kerk op staat liggen sommige graven schuin en heel hoog.
 
Ook in Westerholt staat een grote kerk met eveneens een aprate klokkentoren hoog op een terp of wierde of warft. Ook daar liggen graven hoog en schuin (een beetje raar woord in dit verband, maar ‘scheef’ zou een verkeerde indruk maken). De kerk heeft geen naam. Men noemt hem al lang ‘kerk van Westerholt’. Ik vind uiteindelijk een historische beschrijving. Lang voor de geboorte van Christus stond hier op de kunstmatige heuvel een houten gebouw, gestut door boomstammen in de leemgrond. Cisterciënsers bemoeiden zich er in de twaalfde eeuw mee en na Luther werden alle katholieke symbolen verwijderd. Nu heet hij ook wel vredeskerk.
 
In Norden staat ook een enorme kerk. Dicht natuurlijk. Tegen de klokkentoren een groot monument met het beeld van een soldaat uit WO I, maar daarboven is met twee touwen uit de luigaten een oranje reddingsvest opgehangen. Een verklarende tekst heeft het over de slachtoffers op de Middellandse Zee.
We zien een man uit Ethiopië op een bankje zitten met een smartphone en een fiets. In de winkelstraat rijdt hij voorbij een grillstation. Daar staan aan een tafel een man en een vrouw een bakje patat te eten en een bratwurst met brood. De dames in het station hebben het druk met schoonmaken en braden. Soms is er niemand bij de toonbank, maar even daarna staan er vijf mensen te bestellen, te betalen, te wachten. In een kleine draaimolen zit een klein meisje genietend in een ronddraaiende bak die zij zelf kan laten draaien. Het is klein draaien in groot draaien. Als de carrousel stopt, mag ze van haar moeder op een fiets klauteren. Nu draait ze met haar voeten de ketting van het achterwiel rond, terwijl zij weer ronddraait. De jongen die het apparaat bedient, kijkt voortdurend op zijn mobieltje.
 
We rijden via Holtgast (daar is dus een zandrug met eikenbomen) naar Esens. In een vleeswinkel eten mensen aan een tafel vlees, met mes en vork van een bord. Door een winkelstraat, waarvan de winkels gaan sluiten, bereiken we de zeer grote negentiende-eeuwse kerk, waar de beenderen van een Italiaanse martelaar, Magnus van Trani, liggen. De kerk is net een half uur dicht.
Op naar Bensersiel. Daar kun je op de boot naar Langeoog stappen. Heel wat vaker dan naar Juist. Je kunt er dus ook langer blijven op een dag. Als je pech hebt kun je van Juist niet meer terug op dezelfde dag naar het vaste land. Helaas kun  je de auto nauwelijks ergens laten staan om te kijken naar het water en het gedoe, tenzij je op een te betalen parkeerterrein staat. De weg naar Dornumersiel is afgesloten en we moeten een lange omweg maken. Ook daar kunnen we niet eenvoudig even rond kijken. Dus verder maar naar Norddeich. Daar kun je in ieder geval twee uur staan met een parkeerschijf. R. heeft op de eerste dag een paar tuinsloffen gezien voor belachelijk weinig geld. Zouden ze er nog zijn. Is de winkel wel open op zaterdagmiddag? Ja. Daarna naar Norden en terug naar Hage. Zie het begin.

Ach, Juist, het was te lang geleden. Van het treintje geen spoor, van het station / Bahnhof geen steen. De boot komt eenvoudig aan
aan de kade na een lange slingertocht van Norddeich naar het smalle lange eiland. Eerst lijk je naar Nordeney te varen, dan tuseen de eilanden door, maar dan 
gaat het uur lang slingerend naar de  genoemde kade. Steeds heb je Juist in zicht, lang en niet hoog. Je weet dat het maar één kilometer breed is.

Aan boord, om lang te observeren, een grote dikke man, die schattig omgaat met zijn baby-dochter, terwijl de moeder – heel wat kleiner dan haar man – vertederd
naar hem kijkt. Later komen we het stel tegen op het eiland bij een kleine super. De baby slaapt inmiddels. Zij is volgevoerd.

Ook is er een beetje wilde vrouw die gulzig worst eet. Op de terugreis is ze ook aan boord. R. bestudeert de folder van Juist. Zij heeft gelezen dat de boot om tien uur aankomt
en dat we al om dertien uur terug moeten. We kunnen dus geen lange wandeling maken. De weg naar hotel Pabst is er nog, maar de winkelstraten zijn druk geworden. 
Na Pabst ben je snel op het brede strand. 

Onderweg zit een oude man op een bank en ik vermoed dat hij hier woont. Ik vraag naar het station en dat blijkt al twintig jaar geleden 
afgebroken. Nee, geen rails meer, helemaal niets. Alles is nieuw.
Gelukkig is het strand nog als toen, breed en met kuilen waarin badgasten hun Strandkorbe hebben ingegraven.
Bij het water met tamelijk wilde golven verzamelen zich zwemmers. Ze wonen hier of ze zijn langdurige gasten in de talloze pensions, hotels, appartementen en ze gaan elke dag zwemmen.
Ze worden zorgvuldig in de gaten gehouden door de strandwacht. Ze lopen de golven tegemoet en werpen zich achterover tegen een hoge golf of duiken door een golf heen 
en laten zich door een nieuwe golf meevoeren naar het strand. Er is een bord dat waarschuwt: je mag niet alleen zwemmen en je moet altijd bedacht zijn voor de kracht van het water en je eigen onmacht.
Als je meegesleurd wordt, moet je de strandwacht waarschuwen. Hoe? Dat staat er niet bij.

Een oude man met een groene waterdichte jas zit wat ongelukkig op een houten stelling. Hij wordt geholpen door twee jonge vrouwen. Zijn kinderen of kleinkinderen?  Zijn vrouw bekijkt het. Ze lopen met hun vader of grootvader voorzichtig door het water dat op het strand spoelt.
Hij is een beetje verlamd en sleept met één been. Telkens maakt hij met de voet een cirkel in de lucht en zet hem dan scheef neer, maar de meisjes helpen hem liefdevol. Misschien heeft hij gevraagd: 
neem me nog één keer mee naar de zee en laat me lopen door het water. Ik zal genieten. Gelukkig schijnt de zon. Zijn vrouw lijkt te denken: ach, hoe graag was hij op Juist.

Aan de Waddenkant zitten we een tijdje op een bank te kijken naar het stille water en naar vogels. Zijn het kolganzen? Nee ze zijn kleiner. Het zijn tureluurs. We horen paarden en wagens heen weer gaan 
en realiseren ons dat vroeger dat geluid overal gewoon was. Het ritmische geklikklak van de hoeven klinkt heel anders dan voorbijsnellende auto’s en vrachtwagens. Plotseling moeten we ons haasten om de boot te halen.

20190913_110154_resized.jpeg20190913_110154_resized

Een lyceïste had heel knap uitgerekend

en vast op de kalender met rood aangetekend
dat ze nog maar dertien werkelijke dagen
op school de jongens en leraren kon plagen.
Haar leraar Latijn die het van haar broer vernam
gaf plagend een extra repetitie op haar boterham.

=

’t Noordhollands Philharmonisch orkest
heeft menige uitvoering geflest
door niet alleen de dirigent te ontwijken
maar ook nog te diep in ’t glaasje te kijken.
Nu concerteert dit orkest voor de jeugd.
Ach ja, wat geeft het: leve de vreugd!

=

Een pas getrouwde bruigom in Soest
behandelde zijn bruidje zo woest
dat de mensen geschrokken zeiden:
Wat zal het schaap vannacht lijden.
Maar het meisje zei: nee, hij is een engel.
In bed was ik altijd de bengel.

Geachte mevrouw Faber,

Kent u het verhaal van Robert James Waller, ‘The Bridges of Madison County’?

Een vrouw, afkomstig van Napels, is meegegaan met een Amerikaanse soldaat, naar zijn boerderij in de stilte, de uitgestrektheid van Iowa. Zij krijgt kinderen, gaat om met de verre buren, praat over school, over de oogst, het weer, de gebeurtenissen in het dorp. ‘s Avonds kijkt haar man tv. Zij zit op de veranda te lezen. Over de boeken wordt niet gepraat. Dat is vrouwengedoe. Maar ook met de andere vrouwen kan ze niet praten over de boeken. Dat is niet van belang in het land waar ze nu woont. Haar man gaat met een dochter en zoon een week weg, een stier laten keuren, verkopen. Er komt een man, een fotograaf, één van de laatste cowboys, onafhankelijk, soepel, sterk, artistiek. Hij werkt voor National Geographic en moet een reportage maken van de overdekte bruggen in de buurt. Hij kan een brug niet vinden en vraagt de weg. Zij ziet hem uit de auto stappen en iets roert in haar. Zij voelt dat vaag, weet nog niet wat er moet gaan gebeuren. Dat deze man zijn hele leven op weg is naar haar, dat zij heeft gewacht tot hij komt. Zij helpt hem, geeft hem te drinken en later te eten en begrijpt steeds beter dat hij er is voor haar. Maar hij is fatsoenlijk en bescheiden. Hij gaat. Zij rijdt naar de brug en hangt een boodschap op het hout. De volgende dag vindt hij het briefje waarin hij wordt uitgenodigd om nogmaals te komen eten. Hij belt haar, begrijpt dat ze voorzichtig moeten zijn. De buurt heeft ogen en oren, maar zij neemt het risico. Hij komt en ze komen steeds dichter bij elkaar. Zij is in bad geweest, heeft een nieuwe jurk gekocht, drank, lekker eten. Hij ziet haar fris gewassen de trap afkomen en wordt verliefd, nee, meer dan dat: hij weet dat hij van haar houdt, altijd al heeft gehouden, zonder dat hij haar kende. Bij haar gebeurt hetzelfde. Op de radio dansmuziek. Het eten kan wachten. Ze dansen lang, hun borsten en buiken raken elkaar. Zij trekt hem mee naar haar bed en ze beminnen elkaar lang en intens. De auteur heeft het heel langzaam laten gebeuren; je weet als lezer al lang waar het naar toe gaat, maar hij maakt het niet alleen aannemelijk, maar ook volkomen acceptabel en noodzakelijk. Ze beleven de liefde een week lang en dan moeten ze praten. Hoe verder? Hij zegt dat hij met haar man zal praten om het uit te leggen, maar zij zegt dat haar man het niet kan begrijpen. Hij denkt niet in zulke begrippen. ‘Dat maakt hem niet minderwaardig, maar het is te ver van zijn wereld.’ Ze zegt ook dat haar minnaar haar bezit. Hij vraagt haar mee te gaan, met hem, zijn wereld in, de wereld van de laatste zwervers. Zij antwoordt dat hij de macht heeft haar mee te nemen, maar dat hij het niet zal doen, omdat hij te sensitief is om niet te begrijpen dat haar verantwoordelijkheden hier liggen, in dit huis, met haar kinderen en haar man, in Iowa. Haar man zou moeten lijden onder het oordeel van de buurt, het gepraat over zijn Italiaanse die er vandoor ging met een langharige fotograaf. De kinderen zouden  haar er om haten. Hij begrijpt het en vertrekt. Ze zien elkaar nooit meer, maar elke dag denken ze aan elkaar. Zij offert haar liefde op voor haar kinderen en man, die op zijn sterfbed zegt: ‘Ik weet Francesca dat er iets was in jou waar ik niet bij kon komen. Het spijt me dat ik jou niet kon geven wat je verlangde.’

Ik denk na over dit verhaal en ik begrijp dat hier twee mensen vier dagen in hun leven het gevoel hebben dat ze elkaar moesten ontmoeten en dat ze er voor elkaar waren, voor elkaar bestonden. Dat nu is het gevoel dat mensen hebben die echt verliefd zijn. Ze denken dat ze voor elkaar zijn geschapen. Dat duurt een poos; drie weken, drie maanden, soms drie jaar, maar het gaat voorbij. Als Francesca met de fotograaf was meegegaan had ze haar familie inderdaad ongelukkig gemaakt, maar waarschijnlijk – ik denk zelfs zeker – zou ze hem hebben belemmerd in zijn werk, in zijn kunst en zou ze behalve verteerd te worden door schaamte, zich op den duur… ja, gaan vervelen, onderweg van land tot land, van opdracht tot opdracht. Het is hard, maar zo’n liefde kan niet duren. De grote liefdes uit de wereldliteratuur eindigen voortijdig met de dood. Het is romantisch in de pejoratieve betekenis te geloven in altijd durende verliefdheid. Liefde of beter vriendschap kan duren, maar zo’n passie niet. Als je dag in dag uit met elkaar omgaat, kan dat niet. Het zou erg vermoeiend worden. Het gewoon met elkaar omgaan heeft zijn voordelen. Het geeft rust en je kunt doen wat je zelf aangenaam of nuttig vindt. Francesca heeft goed gekozen.

Ik wens u sterkte en hoop dat u weer spoedig komt voorlezen,

J.L.Teerenstein’

Avril stopte de brieven in haar tas. Wat kon de man van Francesca haar niet geven en hoe erg was dat?