Abelard, de middeleeuwse filosoof uit de 12e eeuw, is 37 jaar oud als zijn huisheer, Fulbert hem vraagt les te geven aan zijn nicht Héloïse van 20 jaar. Héloïse is mooi en zeer begaafd. Abelard schrijft: “alles wat liefelijk is in de natuur moet in jou gevloeid zijn, want waar ik mij ook wend of keer, ik vind niets dat mij genoegen schenkt, behalve als ik jou vind. Alleen als ik jouw beeld voor ogen heb, leef ik, voel ik, denk ik, ben ik gelukkig, vergeet ik alle moeilijkheden, ben ik opgewassen tegen alle taken. “

Abelard is een gevierd leraar; hij kon zalen met studenten betoveren met zijn lessen. Héloïse wordt verliefd. Zij schrijft: “je weet toch, oh jij die het grootste deel van mijn ziel bent, je weet toch dat mensen om allerlei redenen van elkaar houden, maar dat geen enkele vriendschap zo duurzaam is als vriendschap die voortkomt uit oprechtheid en goedheid en uit diepe genegenheid. Ik geloof niet aan liefde van mensen die elkaar beminnen om luxe en plezier… Mijn liefde voor jou is een verbond van een geheel andere aard… Ik heb in jou gevonden-en daarom houd ik van je-het grootste en bijzonderste goed dat er bestaat. “

Het bijzondere is dat ik deze citaten kan geven. Een jonge Australische mediëvist, Constant J.Mews, toonde aan dat anonieme brieven in een 15de-eeuws handschrift uit de bibliotheek van Clairvaux de vroege brieven zijn van Abelard en Héloïse.

We beschikten al over een aantal late brieven, die geschreven wij toen de stormachtige liefdesaffaire al jaren achter de rug was. Stormachtig en fataal. Hij werd gecastreerd door Fulbert en smadelijk verjaagd. Abelard beschouwde zijn liefde als een zondige hartstocht. Hij is immers kerkleraar, zij is als studente aan hem toevertrouwd. Hij schaamt zich voor zijn toegeven aan zijn hartstocht.

Maar-en nu komt het, een wezenlijk verschil tussen man en vrouw: volgens Héloïse is de liefde voor haar minnaar goed en nergens in conflict met de liefde voor God. Zij geeft toe aan haar natuurlijke hartstocht. Zij meent dat haar zinnelijke en geestelijke liefde uit één bron komen. Ze schrijft in antwoord op zijn gevoelens van schaamte: “O, hoe hardvochtig zijn mannen toch! Hoe waar is het spreekwoord dat zegt dat de oprechtheid van een man is vastgehecht aan een dobbelsteen… Het is hoog tijd, liefste dat we ophouden met deze bittere en droevige discussies. Laten we elkaar schrijven over aangenamere en plezierige dingen. Daarom, mijn enige, schrijf mij iets vreugdevols, zing een vrolijk lied, geniet van het leven. Het lijkt wel of je me vergeten bent, mijn zoetelief. Wanneer zal ik je zien? Sta me ten minste één gelukkig uur toe.”

Zo zijn mensen bedoeld: spelend in de zon op het gras met een kinderen. 

Lachend, genietend van licht en lucht, van de bomen in het groen. Maar dat is natuurlijk onzin. Ze zijn helemaal niet bedoeld. Ze zijn er eenvoudig, soms gelukkig, soms zichzelf of anderen pijnigend. Vader speelt met zijn zoon voetbal. Hij laat hem komen met de bal en schieten. Hij doet zijn best de bal tegen te houden. Die jongen kirt van plezier. Zijn zusje heeft eerst haar pop met de kinderwagen het gras opgeduwd. Dan is ze teruggegaan naar de tent om haar stoeltje te halen. Ze draagt een piepklein rugzakje. Ze kampeert. Nu zit ze op haar stoel naast de pop en kijkt tevreden naar papa en haar broer. Ze doet mee met hun bewegingen, maar ze is toeschouwster, zoals haar moeder bij de tent, die van een afstand ziet hoe haar man met hun zoon speelt. Het kleine meisje maakt allerlei vrouwelijke bewegingen op haar stoel naast de pop en even zie ik een volwassen vrouw met haar baby, terwijl ze kijkt naar haar man, die speelt met zijn zoon. 

Heb ik het gedroomd? Nee, het was echt: een oude demente vrouw in een kamer met andere wezenloze vrouwen. De tv staat aan. Heintje zingt met een koor. Niemand kijkt of luistert. Een vrouw zit met een pop op schoot en streelt haar kind of trekt aan het rokje. Ik kom binnen en mijn moedertje zit in een rolstoel en kijkt blij op. Ze weet niet wie ik ben, maar ze zegt kinderlijk: “Oh, wat vind ik dat nou leuk, dat jullie op bezoek komen. Wat leuk!”

Verder komt ze niet. Haar rok is te kort en bedekt haar knieën niet. Op het linkerbeen een plastic zakje met urine. Ze is er aan gewend, maar begrijpt nog dat het daar niet hoort. Ze probeert tevergeefs de rok over het zakje heen te trekken en glimlacht hulpeloos, omdat het niet lukt.

Hoe op precies dezelfde plaats op de camping in Chiusi achter het restaurant een tent staat met een tafel waaraan twee kleine meisjes zitten te tekenen of te schrijven: zoet, net zo zoet als zeven jaar geleden, maar toen waren het andere meisjes, meisjes die nu al vrouwen zijn, die niet meer met papa en mama op vakantie gaan, maar met een vriend. En waar naar toe? En zouden ze nog lezen?

Het is stom wat hij doet, dat is duidelijk. De schrijver Coetzee spaart hem niet en laat zien dat hij, 52, professor in literatuur in Kaapstad, de studente niet verkracht, maar wel achtervolg, verleidt en het bed in draagt. Het duurt maar kort, de verhouding, als je hun relatie zo mag noemen. Zij, 20, wordt door een vriendje en later haar vader geprest hem aan te klagen. Hij maakt geen kans, vooral niet omdat hij niet door het stof wil. Hij erkent schuld, maar wil de aanklacht van het meisje niet lezen. 

Hij erkent blind schuld, maar de wereld om hem heen wil dat hij door de knieën gaat, dat hij vergeving vraagt, zich laat heropvoeden door een therapeut. Hij neemt ontslag. Er verschijnen aanklagende stukken in de krant. De professor verdwijnt naar het platte land, naar zijn dochter die een boerenbedoeningkje/kennel probeert te runnen. Ze wordt daarbij geholpen door een zogenaamde boy, Petrus, van haar vaders leeftijd, die na de politieke ommekeer haar land wil overnemen. 

Het indrukwekkende verhaal ontwikkelt zich snel. Vader en dochter houden van elkaar, maar kunnen niet goed met elkaar praten. De professor maakt zich nuttig in het bedrijf en in een amateur-dierenkliniek van een vrouw die zich ten dienste heeft gesteld van opgegeven dieren. Hij: “Ze moet er moedeloos van worden. Jij ook.” De dochter: “Ja. Nee. Maakt het uit? De dieren die ze helpt zijn niet moedeloos. Die zijn ontzettend opgelucht.”

Dan worden ze overvallen door drie mannen die de dochter meerdere malen verkrachten en de vader overgieten met spiritus en in brand steken. Het huis wordt leeggeroofd, maar daar ging het hun niet om. De jonge vrouw moet haar plaats weten in het nieuwe Zuid-Afrika. Er is het gegronde vermoeden dat de mannen gestuurd zijn door Petrus. Later blijkt dat de dochter, die tegenover de politie zwijgt over de verkrachting, zwanger is, maar ze wil geen abortus. Ze wil niet vluchten zoals haar vader en zoekt uiteindelijk “bescherming” door haar land aan Petrus te geven en voor de vorm met Petrus te trouwen. 

De professor is bankroet in bijna alle opzichten, maar aan het slot van de roman blijkt dat hij in de dierenkliniek een belangrijk offer brengt. Er staat: “Wonderlijk dat een man die zo egoïstisch is als hij zich ten dienste stelt van dode honden. (-) Hij redt de eer van lijken omdat niemand anders stom genoeg is om het te doen.”

Aan het slot brengt hij een kreupele hond die hij nog een week wilde sparen naar de behandelkamer. “Hij opent het hok. “Kom”, zegt hij, bukt zich, spreidt zijn armen. De hond kwispelt met zijn kreupele achterlijf, besnuffelt zijn gezicht, likt zijn wangen, zijn lippen, zijn oren. Hij doet niets om hem tegen te houden. “Kom “. “

Misschien zou een ander wezen hem ook een genadeschot moeten geven? Of hoeft dat nog niet als je zo’n instinctieve eerbied hebt voor leven en lijden?

Twintig jaar geleden verscheen ‘De zoon van Socrates’ van Lecta de Noord. Het boek is nog te koop.

Over Socrates verschijnen in de wetenschappelijke pers minder goede berichten. Hij zou een betweter zijn die zich vaak verloor in algemeenheden en herhalingen. Hij gaf steeds dezelfde voorbeelden en zijn opvattingen waren soms benepen. Daar kwam bij dat hij geen mooie jongen zomaar voorbij kon gaan. Hij stelde hem vragen met dubbelzinnige bedoelingen. Als excentriek hemelbestormer beschikte hij niet over al te veel humor. Hij liet zijn familie in de steek. In de vertaling van Cornelis Verhoeven kunnen we een tijdgenoot over hem lezen: Xenophon, ‘Herinneringen aan Socrates’.

Hij werd in 399 voor het begin van onze jaartelling beschuldigd van het bederven van de jeugd en vanwege het feit dat hij de staatsgoden niet vereerde. De meerderheid van de jury van 500 door het lot aangewezen Atheense mannen achtten hem schuldig. Hoewel hij aan het vonnis had kunnen ontkomen, hield hij de eer aan zichzelf. Waarom? Had de 70-jarige filosoof het wel gezien en wilde hij de roem van een waarlijk filosofisch einde? Op talloze gymnasia lezen ontroerde leraren het einde van Socrates, zoals het beschreven is door Plato, voor. Socrates is een held van het denken. Maar wat te denken van hen die achterblijven: zijn jonge vrouw Xantippe en hun drie zonen? Over een van die zonen gaat het bijzondere boek van Lecta de Noord. Zij heeft de namen van de zonen verzonnen, die zijn namelijk niet zeker overgeleverd. Vooral Timoon, zijn oudste zoon, speelt een rol in het boek, dat gaat over een jongen uit onze tijd, Rik, die van zijn lerares Nederlands de opdracht krijgt een opstel te schrijven over zonen van beroemde vaders. Zij wil haar leerlingen confronteren met de keerzijde van de roem.

De originele vondst van Lecta de Noords roman is het computerscherm van Riks vader waarop Timoon verschijnt. Hij praat rechtstreeks met Rik en vertelt hem het verhaal van het wachten op de gifbeker vanuit het perspectief van Socrates’ familie. Rik kan met de hulp van dat verhaal en origineel en goed opstel schrijven, dat zeker in de smaak zal vallen bij zijn lerares. Dat is voor Rik nogal belangrijk, want hij is verliefd op haar. Hij heeft ook het lef om haar zijn liefde te verklaren, maar zij is verstandig en hoewel Rik een geliefde leerling is, maakt zij hem duidelijk dat het niet kan: een leerling en een lerares. De alledaagse werkelijkheid geeft haar gelijk, maar een hartstochtelijk en spannend motief blijft hier mee onuitgewerkt. 

Riks ouders hebben ook problemen: zijn vader wil een half jaar naar Amerika om lezingen te geven. Zijn moeder laat haar man op de studeerkamer slapen, waar de computer staat. Lastig voor de gesprekken tussen Rik en Timoon. Het loopt uit op een compromis: de vader gaat zes weken. Huwelijk gered. Rik komt tot bezinning. Maar Socrates drinkt zijn gifbeker!

Het schilderij Birkenau 1 van Ronald Ophuis is fysiek aangevallen. Waarom die agressie tegen het schilderij? Wordt hier, zoals vaak, boodschapper en gebeurtenis verward? Het schilderij is de boodschapper. Men zou zijn agressie moeten richten op het gebeuren zelf: de verkrachting in een vernietigingskamp, die zo afschuwelijk is omdat de slachtoffers hier dader werden. Primo Levi schreef erover. Men kan dus zeggen: dat wisten we al, dat hoeft Ophuis niet meer te schilderen. Maar het bombardement van de Duitsers op de onschuldige burger- bevolking van Guernica was ook bekend, voordat Picasso zijn meesterwerk schilderde. Heeft iemand toen aan Picasso gevraagd: waarom schilder je hier zoiets afschuwelijks? Wat bedoel je ermee?

Wat bedoelden de schilders vroeger met de schilderijen van de kindermoord in Bethlehem? Angstige moeders met blote borsten, soldaten met zwaarden die de baby’s van de borst rukken en op het zwaard planten. En met de schilderijen van Sint Sebastiaan? Mooie, bijna naakte man met pijlen in borst en dijen.

Waar kijk je naar als je naar een schilderij kijkt? Naar verf, kleur, licht val, een compositie, perspectief, een afbeelding. Niet naar de werkelijkheid. Je moet technieken onderscheiden van bedoelingen. 

De schilder van Sint Sebastiaan wilde laten zien hoe heilig hij was, hoe dapper.

Misschien had hij ook een geheime bedoeling: hoe mooi het mannelijk lichaam is, hoe opwindend de voorstelling. 

De schilders van de kindermoord wilden laten zien hoe wreed Herodes was of hoe ondoorgrondelijk Gods wegen waren. Misschien hadden zij ook geheime bedoelingen. Picasso wilde laten zien hoe wreed de fascisten waren, hoe pijnlijk en bizar het lijden. 

Ronald Ophuis wilde iets dergelijks laten zien en hoe slachtoffers daders kunnen worden. Het gaat hem aan, het benauwt hem. Misschien moet hij het van zich afschilderen. Picasso plaatst de kijker op afstand door deformaties. Er zijn talloze voorstudies bekend. Ook Ophuis maakte voor-studies, werkte lang aan zijn schilderijen. Kenners prijzen zijn schildertechniek, maar wat we zien is een vreemd perspectief, klunzige figuren, “vuil” licht. Ook zijn bewerking van de afbeelding plaatst de kijker op afstand, een noodzakelijke afstand, omdat de rauwe werkelijkheid ons zou verpletteren. 

Het gaat dus niet aan om de schilder te beschuldigen van goedkoop effect bejag. Je mag, moet wellicht, woedend worden, maar niet op de schilder, niet op het schilderij. Je moet schreeuwen om de gebeurtenis, om de wereld waarin zulke dingen gebeuren, om het raadselachtige Kwaad.

Misschien is het tijd voor een nieuwe uitdrukking in de Nederlandse taal: ‘Hop over de sofa’. Dichters zijn ambassadeurs van de taal, en de titel die Remco Ekkers aan zijn nieuwe bundel heeft meegegeven, is een combinatie van luchtigheid, tragiek en trefzekerheid. In eerste instantie lijkt de titel slechts afkomstig uit het openingsgedicht, maar wie even verder leest, voelt dat zich steeds een nieuwe situatie voordoet van ‘Hop over de sofa.’ 

Allereerst huist in de titel een mooie tegenstelling, die de dichter zelf als gegoten zit: ‘Hop’ impliceert snelheid, jeugdigheid, een ‘sofa’ is een rustbank, een klassiek meubelstuk. Stiekem klinkt, behalve rust, ook wijsheid (‘sophos’) door. Het ziet er niet naar uit dat Ekkers, met zijn bijna tachtig levensjaren, een rijke ervaring aan dichten, interviews met andere dichters en schrijvers, en lesgeven, gaat rusten. Hij staat, hop, volop in het leven, schroomt niet de actualiteit in zijn poëzie te betrekken en blijft zichzelf ontwikkelen, zo blijkt uit het gedicht ‘Kritiek’. Daarin citeert hij Rogi Wieg, die van een vorige bundel zegt: ‘Waarom schrijft iemand droge / emotieloze gedichten zonder drama?’ Het in een gedicht aanhalen van kritiek op de eigen poëzie is al postmodern te noemen, maar Hop over de sofa bevat juist veel gedichten die een drama openbaren en emotie oproepen, en laten een nieuwe ontwikkeling zien. Liefdevol en wijs is Ekkers’ antwoord: ‘Misschien is er geen drama, alleen maar/raadsel, stil, wit, met oneindige vormen/ontvouwend bewustzijn, nog in het begin/langzaam groeiend, mythes overwinnend/tot een totale leegte waar we elkaar weer ontmoeten.’

Het openingsgedicht verwijst naar de actualiteit: een vrouw die overweldigd is door een man, ‘hop over de sofa’, daarna een vrouw die haar kind over het balkon gooit, ‘hop over de rand’. De titel bevat nu plotsklaps ook een donkere rand. Een misdaad is snel gepleegd. We worden er elke dag mee geconfronteerd en stompen er misschien haast door af. Voorlopig houdt het niet op, want de volgende gedichten gaan over een meisje met een bomgordel, vergeldingsacties, aanslagen, zelfmoordacties. Ekkers schrijft zo licht en terloops, dat je de gruwelen bijna over het hoofd ziet: ‘Haalde diep adem, zwom met open mond, tot / de stroom hem greep en hij worstelend werd gezien / door soldaten op een boot die hem overvoeren.’ Heel subtiel verwerkt hij het drama in – nota bene – een bijzin: ‘die hem overvoeren’. Ekkers is meester in de taal. 

Bijna alle gedichten in de bundel bevatten raadsels, losse eindjes, waardoor de betekenis je vaak ontglipt en je op een ander moment flink door elkaar schudt:

Herdenking

Ben ik hier om licht te zien
of het duister, bij de kolom
die opzij staat, in de stad waar uit
op ijzeren wegen.

Ben ik hier om gedachten
mee te geven, woorden?

Woorden voor terreinen en gruis?

Zoals uit de zwart geslagen boom
met afgescheurde tak toch weer
het groen bloedt en straks de bladeren
komen, zo wil ik hier mijn woorden
laten komen als kamers, huis, bed.

Er is heel veel wat je kunt herdenken. Zo kun je de slachtoffers van een oorlog herdenken. Denk je dan aan hoop en liefde die mensen hebben gevoeld, of sta je juist stil bij verdriet en dood? Waarnaar verwijst ‘de kolom / die opzij staat’? Een middag heb ik zitten piekeren over ‘in de stad waar uit / op ijzeren wegen’. Het is alsof de zin zelf uit elkaar is gerukt. De ijzeren wegen doen denken aan spoorlijnen, en spoorlijnen aan deportaties. Het gedicht roept vragen op, die een herdenking ook vaak oproept. Je wilt een mooie gedachte uitspreken, van troost misschien, terwijl de plek des onheils, weinig troostvol is, bestaat uit ‘terreinen en gruis’. Maar dan komt in het slot een prachtig, helder beeld naar voren van een bijna dode boom waaraan toch weer nieuw leven ontspruit. Je ziet de takken openbarsten, en dat is precies wat de ‘ik’ wil met woorden: ineens zijn daar de kamers, het huis en het bed.

De bundel is veelzijdig. Van landschappen valt de lezer in orakels, muziek, kunst, gedachten over een naderende dood, een miljoenpoot die over de Chinese muur kruipt, de wens van Vivaldi om een dochter te hebben, de vleugelnootboom bij het Rijksmuseum, eindigend in twee prozagedichten, en dan heb ik het meeste nog niet genoemd. Het leven trekt in vogelvlucht aan de lezer voorbij en de gedichten roepen emotie op. Emotie is ‘in beweging brengen’. Ekkers’ poëzie is een en al beweging: 

Wending

De stilte voor de storm, vlak voor
de omslag, waar de veerkracht
is afgenomen, waar je snakt
naar verandering, nu of nooit.

Keer mij om, woel mijn grond los
met je kouter aan de voorkant
van je ploegboom, snij met je schaar
de zode van onderen los en keer
hem met gebogen ijzeren ritser.

Dit gedicht is exemplarisch voor wat er in het hoofd van de lezer gebeurt. Natuurlijk lees je het ook als verlangen van de ik, die omgewoeld wil worden, maar de ik is ook de lezer die in beweging wordt gebracht. We kunnen niet stil blijven staan bij alles wat om ons heen gebeurt. Wij worden door elkaar geschud en omgekeerd: hop over de sofa. Voor je het weet, is het voorbij, ben je over de rand van het leven gekukeld. De bundel is een ‘raadsel, stil, wit, met oneindige vormen, ontvouwend bewustzijn.’

Dietske Geerlings

Remco Ekkers – Hop over de sofa. Uitgeverij kleine Uil, Groningen. 96 blz. € 17,50.

Bekijk ook het gesprek dat Willem Goedhart met Remco Ekkers voerde over deze bundel.

De titel van de biografie van Marcel Reich-Ranicki-de Duitse literatuurcriticus-“Mijn leven” -is net zo bondig en laconiek als de tekst van het 180 pagina’s tellende boek. Bondig in zijn formulering bedoel ik, want het leven van Reich was zo gevuld dat hij er heel wat zinnen voor nodig had. 

Hij werd in 1920 in Polen geboren en verhuisde op 9-jarige leeftijd naar Berlijn. Dat werd de stad van zijn jeugd. Hij ervoer de stad als een paradijs, temeer daar hij daar de cultuur ontmoet voor welke hij geschapen lijkt: de Duitse literaire cultuur. Hij wist al heel jong dat hij literatuurcriticus wilde worden, maar helaas, hij was van Joodse afkomst en het Derde Rijk stond niet toe dat joden aan de universiteit studeerden. Toen hij met goede cijfers van het gymnasium kwam, werden alle beroepsmogelijkheden, behalve in de handel, voor hem afgesloten. Merkwaardig genoeg had hij tot dan toe weinig last gehad van zijn afkomst: de leraren en leerlingen behandelden hem met respect. Hij vertelt er zeer laconiek over, maar de goede verstaander begrijpt heel goed hoeveel onnodige en bizarre beledigingen en beletselen hij heeft moeten verduren. 

Hij wordt gedeporteerd naar Polen en moet steeds ernstiger verkommeren in het getto van Warschau. Dat hij het heeft overleefd, met zijn vrouw Tosia, is te danken aan absurde toevallen en aan zijn alerte optreden. Meestal helpt intelligentie of daadkracht niet als er wordt geselecteerd voor de dodentrein bijvoorbeeld. De rijzweep van de dienstdoende SS-er kan naar links of naar rechts wijzen, naar de dood of de uitgestelde dood. De razzia’s op straat moeten een getal halen. Eén verkeerde stap kan het einde betekenen; één toevallige verrader. Reich vertelt het allemaal als gebeurtenissen die plaatsvinden, maar de gruwelijkheid van het nazistische optreden is op de voor en achtergrond voortdurend grotesk aanwezig. 

En het houdt niet op als het echtpaar de oorlog maar nauwelijks overleeft! In het communistische Polen worden ze ook weer, maar nu door een onzichtbaar partij-apparaat vervolgd en dwars gezeten. 

In 1958 vlucht hij terug naar Duitsland, met achterlating van al zijn bezittingen om in Frankfurt en Hamburg opnieuw te beginnen. Al die tijd heeft hij één schat steeds mee kunnen nemen: zijn liefde voor en zijn kennis van de Duitse literatuur. Hij werd als criticus, zonder universitaire opleiding, zo succesvol, omdat hij zonder geleerdheid aan de lezer wilde duidelijk maken waarom hij een roman goed of slecht vond. En men erkende zijn meesterschap. Zijn biografie is een merkwaardig droog en onpersoonlijk boek geworden, ondanks de persoonlijke bekentenissen over vrienden en zelfs over een belangrijke minnares, maar dat alles heel feitelijk. Hij eindigt met een tribuut aan zijn 80-jarige vrouw met wie hij 60 jaar samenleefde. 

Er staat een aantal hilarische anekdotes over schrijvers in het boek, die eveneens op een nuchtere, niet polemiserende wijze woorden verteld. Schrijvers zijn in het algemeen egoïsten. Zo loopt hij met een beroemde Poolse schrijver door een bos en de man heeft een uur lang alleen maar over zichzelf. Na dat uur zegt de schrijver: we hebben alleen maar over mij gesproken, laten we het over jou hebben. Wat vond je van mijn laatste boek?

Vrouw

In Caïro en Luxor in de jaren 1948/49 schreef Bertus Aafjes zijn dichterlijke visie op het scheppingsverhaal In den beginne, waarbij hij gebruik maakte van het kabbalistische en bijbelse idee dat de schepping van de wereld begint met de schepping van de goddelijke taal. In het begin van het gedicht loopt Adam ‘in de nog ongenoemde morgen’. God heeft hem genoemd, maar dat gaat, opmerkelijk genoeg, aan het gedicht vooraf. Hij kwam uit de aarde: ‘Wentelend als een worm naar de bevrijding, / Opkronkelend uit de eenvormigheid, / Omdat een stem die Licht was Adam riep.’

Adam noemt op zijn beurt, als kleine schepper, de dingen. ‘De Woordgeborene, hij baarde woorden.’ En in het noemen onderwerpt hij de natuur aan zich. Dit is in overeenstemming met het boek Genesis en met de traditionele opvattingen in het midden van de vorige eeuw. ‘Hij onderwierp de chaos aan zijn woord.’ Hij verlost de dingen uit het ongezegde. Maar één woord kent hij niet: het onuitsprekelijke Aanvangswoord: ‘Het scheppend Woord dat hem geschapen had? (…)/ Met donderende stem, zonder geluid; / Met klank van bliksemschichten, zonder licht’. Let op de paradox en de synesthesie. Adam zoekt naar dit Woord en lijdt onder zijn onbegrip. ‘Een blinde gril / Leek hem de wereld. En hij weende luid. / Het lijden was, want voor het eerst geuit.’ Een blinde gril – dat klinkt existentialistisch. De kern van het gedicht wordt door Aafjes geformuleerd in het begin van de tweede afdeling: ‘Het Onuitsprekelijke maakt ons eenzaam, / Wijl wij het bij de naam niet noemen kunnen; / Het Nameloze maakt ons naamloos droef.’

Wij willen onze oorsprong kennen en vooral de reden van ons bestaan. Wij zijn betekenisdieren. Adam ondervraagt de wereld, maar alles is begrensd en hij zoekt het onbegrensde. Hij ondervraagt zichzelf, vindt geen antwoord, valt in slaap ‘En in zijn lichaam roerde ver en flauw / De vleesgeworden zucht naar antwoord: Vrouw.’

Zo laat Aafjes de vrouw ontstaan, als het verlangen van de man naar inzicht. Zij biedt hem ontferming en schoonheid, maar het wonderlijke is, dat zij volkomen zichzelf is. Zij is oorspronkelijk, zoals zij moet zijn, met niets te vergelijken. Zij is van voor het woord. Aafjes zegt: ‘Woordenloos nog is ‘t kennen in zijn aanvang.’

Woordenloos omhelzen zij elkaar en ervaren de verrukking van herkenning zonder die te benoemen. Na de eerste liefde is ook de taal als nieuw en Adam laat zijn Eva de wereld zien en leert haar de namen. Ieder ding is zichzelf en met niets te vergelijken. Alles is duidelijk. ‘Maar er was één ding duister, ’t lichtste ding.’

Adam piekert en voelt zich gestoord door de aandacht vragende Eva. Zij vraagt wat er is, waarom hij haar niet ziet en hij vertelt over zijn zoeken. Zij begrijpt niet wat hij nog zoekt buiten haar, waarom hij niet genoeg heeft aan haar en zij wil hem helpen. Zij heeft hem lief om zijn wonderlijk verdriet. En dan gaat zij tot actie over. Ze weet van de verboden boom, de boom van kennis. Zij zoekt die op en de boom spreekt tot haar: ‘Ik ben de goddelijke vergelijking. / Eet van mijn vlees en niets blijft u verborgen.’

Eva neemt het initiatief, zoals in het bijbelverhaal. De man komt tot kennis dankzij de vrouw. Zij bijt ‘zich gulzig vast in ’t nieuwe weten’ en dan herkent zij in het een het ander, ze kan vergelijken: de metafoor is geboren. Zij herkent God in alle dingen. En zij laat Adam eten.

Het is een benauwend boek geworden, ‘Onderdak’, van Elisabeth van Nimwegen, maar dat lijkt me ook de bedoeling. Ondanks de vele details van de geschiedenis, die zich in een kleine week afspeelt, word je als lezer meegesleurd in de teloorgang van een vrouw van 43, met jonge kinderen en een ‘ideale’ echtgenoot.

Hoe moet je zonder de plot te verraden schrijven over wat er met haar gebeurt? Is het erg om de plot te verraden? Gaat het niet vooral om de wijze waarop de schrijfster het verhaal laat vertellen door de hoofdpersoon?

Je begrijpt als lezer langzamerhand dat de titel letterlijk moet worden genomen. Je begrijpt hoe de vrouw getekend is doordat haar moeder haar en de andere leden van het gezin in de steek heeft gelaten voor een reis naar India, naar Poona. Je begrijpt dat ze lijdt onder de verplichtingen van het samenleven met haar man, onder de zorg van haar kinderen, onder de triviale gebeurtenissen van verjaardagen, bezoekjes aan vrienden en kennissen, maar vooral aan een leegte in zichzelf. Ze kan niet meer, al weet ze dat ze met collega’s naar een onderwijscongres in Helsinki moet en dat ze daar een lezing moet houden, die ze overigens keurig heeft voorbereid. Ze moet naar Schiphol en dan breekt ze. Ze moet vluchten, maar waar naar toe? De beste vluchtplaats, heeft ze gelezen, is de meest nabije.

De ik-persoon heeft een ‘hekel aan het regisseren van de werkelijkheid, met het oog op een leuk plaatje voor later: dat je leuke kinderen hebt, een geweldig stel bent, avontuurlijke vakanties beleeft en leuke vrienden hebt.’

Voor de ik is alles te veel. Ze bekijkt haar eigen gedrag voortdurend, registreert ruis in het sociale verkeer. Ze is ongelukkig, maar dat neemt ze zichzelf kwalijk als ze denkt aan vluchtelingen, ondervoede kinderen, mishandelde vrouwen, terrorismeslachtoffers, politieke gevangenen en religieus onderdrukten. Waar haalt zij het recht vandaan in haar luxe positie zich ongelukkig te voelen?

Andrea lijkt op Clarissa Dalloway van Virginia Woolf. Zij waardeerde haar “ziel” te veel om die aan Peter, de eerste geliefde, te geven. Ze was bang om zich over te geven aan Peter, of aan het leven, en ‘de hitte van de zon’ en ‘de woedende woede van de winter’ te accepteren. Ze schrok terug van de manier waarop Peter van het leven hield. Zij vluchtte in een huwelijk met een keurige, maar saaie man. 

Andrea’s probleem is vooral de weggelopen moeder en een eenzaam beleefde abortus. Nu gaat ze ook weglopen, ondanks haar liefde voor de kinderen, al vraagt ze zich af in hoeverre die liefde een verplichting is. Benauwend, ja dat is het.

Deze proef kun je gemakkelijk zelf doen: leg twee stapeltjes wasgoed op tafel en vraag een man of een vrouw, terwijl je wijst naar een stapel de zaak naar boven te nemen. De man pakte de aangewezen stapel, draait zich om en loopt. “Ho, ho “, roep je, “er ligt nog een stapeltje.” De man loopt door en brengt het stapeltje naar de trap. Als het een aardige man is, komt hij terug voor het andere stapeltje. De vrouw draait terug en neemt meteen het ander stapeltje mee.

In ‘De beentjes van Hildegard’ gaat het over een vrouw die haar man voortdurend helpt, corrigeert etc. Hij wordt er gek van.

Mannen willen best in deeltijd werken, als het mag van zijn baas, maar de vrouwen moeten niet “zeuren “. 

Papa kleedt kleine Karin aan, hup het jurkje van gisteren. Karin vindt het best, maar bij de deur houdt mama ze tegen. “Wat, heb je haar nu alweer dat jurkje van gisteren aangetrokken? Terug!”

“Nee, we komen te laat!” “Ik doe het morgen zelf wel” zegt mama zuchtend, die daarvoor dan eerder uit bed moet.

Andere scène: de man gaat stofzuigen. Als hij klaar is, wordt hij gecontroleerd door de vrouw. “Heb je de stoelen ook verschoven? Nee, ik zie het al, ik doe het zelf wel.”

Man kookt. Hij pakt de bloemkool, snijdt met een groot mes de schutbladeren weg, snijdt de bloemkool in stukken, wast ze, doet ze in een pan met water, zout erbij, vuur eronder. Zo, klaar. Even later komt zijn vrouw, licht de deksel van de pan op, kijkt en zegt: “Ja maar, zo moet je de bloemkool niet snijden. Je moet de roosjes een voor een los maken. Kijk, nu krijg je rare stukken en allemaal kruim.” Ze pakt een mes en snijdt de hoekige stukken kleiner. De man denkt: doe het dan zelf.

Zo zijn er vele tragikomische verhalen te vertellen over boodschappen doen: man koopt grote stukken vlees in de aanbieding en past zijn kookstrategie aan aan wat hij heeft gekocht. Vrouw maakt een boodschappenlijst en zoekt net zolang tot ze heeft wat ze van plan was klaar te maken. Als de vrouw wil dat haar man meedoet in het huishouden, moet ze macht uit handen geven, hem op zijn eigen manier laten werken. Wil ze dat niet, dan werkt ze dubbel en kan het mopperen op de “gemakzuchtige” man een aanvang nemen. 

Jonge stellen zonder kinderen reageren hier soms verbaasd op. “Wij hebben daar nooit problemen mee. Bij ons loopt het heel soepel. Ieder van ons pakt aan wat voor handen komt.”

Mooi, houden zo! Doe de proef met het wasgoed maar eens. Nee, doe maar niet. Geloof nog maar even dat het geen verschil maakt of je man of vrouw bent.