Op een avond rijdt Dean met de ik-figuur naar Dijon, naar een nachtclub. Daar ziet de ik, laten we hem John noemen, een meisje van zestien of ouder, tussen Amerikaanse negersoldaten. Ze gaat met hen weg. John fantaseert  over wat er met haar gebeurt. Misschien valt het mee. Die soldaten kunnen heel teder zijn. Later zegt Dean dat hij een verrassing heeft. Ze gaan naar the Foy in Autun en daar is het meisje uit Dijon. Salter vertelt de ontmoeting niet. Ze zijn opeens met zijn drieën en ze eten oesters. Het meisje heet Anne-Marie. Ze is achttien en ze weet niet hoe ze oesters moet eten. Dean brengt haar naar huis en dan zijn wij, lezers, plotseling getuige van haar kamertje met Dean en het warmen van haar piama en zijn kus en zijn denken dat ze onschuldig is. John wordt de ziener; hij ziet of fantaseert alles. Hij bewondert Dean, omdat hij succesvol is in de liefde. John is dienaar van het leven, Dean de bewoner. Het liefdespaar achtervolgt John is zijn dromen, maar ook overdag. Hij ziet alles wat ze doen: rijden, eten, vrijen. Hij weet dat zij ’s morgens een slechte adem heeft. Hij ziet alle seksuele details en hij deelt ze mee. Hoe zij elke morgen zijn pik kust. Hoe ze geniet van alle standjes, ook anaal.
De hele herfst en winter en lente rijden ze rond en vrijen elke nacht en John moet het allemaal zien. Hij weet ook dat Dean af en toe geld moet vinden. Hij verkoopt bijvoorbeeld zijn ticket voor de terugreis naar Amerika. Hij vraagt geld aan zijn vader in Parijs. Hij verdient een beetje als tutor. Uiteindelijk, we zijn door John goed voorbereid, moet Dean vluchten naar Amerika. Hij krijgt het geld voor de reis van John. John krijgt de auto, maar het is een leenauto. Anne-Marie heeft niet veel geleerd, maar ze begrijpt heel goed dat Dean weg wil en dat ze hem nooit meer zal zien. John vertelt haar niet van het geld, maar hij weet zeker dat zij het van zijn gezicht kan aflezen en dat hij alles zal bekennen, hij kan niet liegen, maar Dean zal haar begroeten met een glimlach. Dat is het verschil. John is niet sterk genoeg om haar te beminnen. Men moet zelfzuchtig zijn.
Deze vertelling gaat schijnbaar over de seksuele liefde van Dean en Anne-Marie, maar het gaat eerder over Johns gebrek en over zijn ongelooflijke voorstellingsvermogen.

Als jonge man luisterend naar de regen
vol vreugde om het zingen van de meisjes
op de buitengalerij boven het water. Achter hen zag ik
de schemerende rode kaarsen en de zijden gordijnen.

Als volwassen man luisterend naar de regen
vluchtend op een boot over de wijde rivier
onder lage bewolking, hoorde ik boven mij
de roep van een gans, worstelend met de westenwind.

En nu luister ik opnieuw naar de regen
in mijn kleine cel. Mijn haar is grijs.
Ik aanvaard treurnis en geluk, eenzaamheid
gezelschap met gelijk gemoed. Ik hoor
de regen vallen op de trappen van de tempel
tot een nieuwe dag komt, in helderheid.
(Jiang Jie)

James Salter begint zijn ‘A sport and a pastime’ met een citaat uit de Koran: ‘Remember that life of this world is but a sport and a pastime… ‘ Het echte leven begint na de dood. Wat zou Salter bedoelen? Is het spot of ernst? Het is ernst, maar dat wil niet zeggen dat Salter gelooft in een hiernamaals

Het verhaal begint in september. Het was een mooie zomer. Parijs begint weer vol te lopen. Een ik-figuur trekt juist naar het land, naar Autun, midden-Frankrijk.
Hij vertelt hoe hij de trein instapt, een leeg compartiment zoekt, dat niet vindt en dan maar een lege plaats zoekt. Hij gaat naar binnen, zwaait zijn koffers in het rek, ploft neer en bekijkt zijn medereizigers. Een Fransman slaapt. Hij heeft een blauw jasje en een blauwe broek, maar de blauwen passen niet bij elkaar. Hij kijkt hoe de trein Parijs uitrijdt, langs gewone straten, langs voorsteden, appartementen, tuinen, muren. En dan is Parijs verdwenen en opent het land zich. De ik voelt zich al vrij. Groen, burgerlijk Frankrijk. De boerderijen zijn opgebouwd met steen. Land is de enige rijkdom. Er is een meisje in het compartiment. Hij beschrijft haar nauwkeurig, net als alles wat voorbijtrekt, bomen, tussenstations, groene kanalen, hooiland, voetbalvelden. Het meisje zoekt naar sigaretten. De sluiting van haar handtas is gebroken. Het is warm in de zon. Hij valt in slaap. Het meisje is verdwenen. De trein gaat over een rivier. Ze komen langs een hotel. De trein staat even stil op een station. Bij een kar kun je sandwiches en bier kopen. Een zwanger meisje met een zongebrand gezicht en bleke ogen komt langs en kijkt naar hem als ze passeert. Ze heeft een serene uitdrukking. Mensen worden weer echt, vooral vrouwen. Anders dan in Parijs. In het compartiment is een zwijgzaam meisje gekomen met een vogelgezicht. Het is bewolkt geworden. Het licht is veranderd. Het meisje haalt een toffee uit haar tas. Hij is benieuwd naar haar tanden. Ze draagt een trouwring. Hij kijkt naar buiten. Ze naderen Autun. Hij stapt uit met nog twee, drie passagiers. Het is leeg op het perron. Hij loopt naar een huis bij de Romeinse muur. Hij loopt door een laan met bomen, komt bij een groot plein. Het is stil, een Utrillo-achtige stilte. Hij ziet de kathedraal. Hij komt bij het huis, Wheatland’ house, groot van steen, het hout verwaarloosd. Hij denkt dat hij de plek kent. Hij ziet een inscriptie ‘Vaincre ou mourir’. Hij is 34.

Waar gaat dit naar toe?
Het is duidelijk: deze ik is een nauwkeurig waarnemer. Hij is dan ook fotograaf. Voor vrienden past hij op een groot huis in een blauwe – er is veel blauw in deze vertelling – bewegingloze, niet actieve stad, leeg, existentieel leeg. De ik zegt al gauw dat hij een verhaal vertelt over dingen die nooit bestaan hebben, hoewel zelfs de geringste twijfel eraan alles in duisternis werpt.
In Parijs heeft hij bij een ‘ontvangst’ Philippe Dean ontmoet. Philippe is mooi en intelligent en onafhankelijk en een uitvreter. Hij liep weg van de universiteit, Yale, omdat hij zich verveelde. De ik is iemand die niet weet wat hij moet zeggen. Hij verlangt naar een meisje, maar hoe moet dat?
Dean komt na een maand of twee bij de ik langs met zijn antieke auto, dat wil zeggen zijn geleende auto, onuitgenodigd en hij laat zich verwennen. De ik is jaloers. Hij heeft alles netjes gedaan. Het leven van Dean lijkt echter, sterker, waarachtiger. Hij is aantrekkelijk als een zwart gat. Hij rijdt met hem rond in het echte Frankrijk.
Tot zo ver is dit een verhaal van een ik-verteller, maar nu komt het. De ik-verteller wordt een alwetende verteller, aanwezig bij de intiemste momenten van Dean en zijn vriendin. Hij ziet alles en weet alles, ook wat de vriendin denkt.

Eerst gaan de jongens naar een dorp
en hakken heel veel hoofden af.
De lichamen hangen ze boven een trog
waardoor geen bloed verloren gaat.

De hoofden hoeven niet te worden uit-
geperst: er zit niet veel meer in.
De vrouwen verdunnen het bloed met water
gooien er kruiden en koolzuur in.

Dat drinken ze ’s avonds
onder vrolijk gezang
om ze klaar te maken
voor een volgend feest.

Ze willen heel graag weten
hoe de dingen in elkaar
en hoe het zo gekomen is.

Ze zitten te wachten op
iemand die vertelt
hoe iets is gegroeid
en hoe weer verdwenen
andere dingen zijn geworden:
bloemen of teksten
tot wat je ziet of ruikt
en hoe ze zijn beïnvloed door.

Zodat ze zelf kunnen groeien
niet meer aan de hand
niet bevingerd of geconsigneerd
becijferd, gestaffeld of gefactureerd.

Maar je moet het menen
en aandacht hebben
voor hun honger: ze willen eten
en drinken uit een kostbaar glas.
Ze hebben aan weten niet genoeg.

Hoe je een jazz-combo samenstelt

Je kiest een altsax die lijkt
op een pinguïn, hoog
met een ruime zwarte broek
groene frak
zijn hoofd zonder snavel
korte veertjes op de kop
iets voorovergebogen.

De klarinet, een kleine
met een snor en de motoriek
van een aap.
Zijn ogen schitteren:
hij heeft er zin in.
Als hij niet speelt
zingt hij geluidloos.

Maaike op de banjo
zestig jaar of daaromtrent
doorrookte stem
zwaait heen en weer
gaat plotseling naar de microfoon
alsof ze wereldberoemd is
maar het niet wil weten.

Connie zit op een stoel
met glanzende laarzen
de ogen gesloten
zoent ze de tuba
gaat er in op.

Bert speelt effectief
trompet, kijkt wakker
door de kleine glazen van zijn bril
en dan in driekwarts maat
wiegend Creools met sopraansax.

De drummer ondersteunt
rustig vegend
kiest af en toe een bekken
versnelt en vertraagt
denkt aan zijn duiven.

Maak de zolder leeg.
Boen de vloer, nadat je
de planken hebt gebeitst
en hebt laten drogen.

Haast is funest.

Zet nu een vierkante, witte
tafel onder het dakraam
van dezelfde maten
zó dat om twaalf uur
het licht vlak op de tafel valt.

Sluit de deur van de zolder
schuif een dunpotige stoel aan.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 846 andere volgers