Before going below ground
You need to get change, you are
Felt up by grubby officials
Holding mirrors over your head.

Through cramped airlocks and passages
Down stairs and up until you lose
Your way and know no longer
Who you travel with.

Uniforms in grubby cabins
Traffic above ground no longer reachable
Halted by wall-high bolts
A silent watchman at a dead station.

The antenna slanting parallel to the dog
On the far side of the water
No tracks in the snow, merely
White crosses bearing names of the dead.

Dilapidated museums, also housing
Stolen art, no money for proper attendants
Old wax-like women waiting
For time, sometimes a visitor for Cézanne.

The eighteenth-century parade at Potsdam
In front of the garrison church facing
Who still recalls such an image with pride and nostalgia.
Unter der Linden it is cold.

(vert. Y.t.B)


Na een aantal mislukte pogingen om Harry Mulisch naar Leeuwarden te halen, lukte dat op 7 maart 1993 eindelijk wel. Hij wilde er 5000 gulden voor hebben: ,,Vraag ik 500 gulden, dan zou ik elke avond wel een lezing kunnen houden.” O ja, en hij wilde gehaald en gebracht worden.
Klaske Jaspers, die toen werkte bij De Bezige Bij ging mee en zij vroeg of ik ook mee wilde. ‘Dan zouden we vast kennis kunnen maken en dat zou de sfeer voor het interview bevorderen.’ Toen wij
om kwart voor twaalf aanbelden bij de woning van Mulisch in Amsterdam, kregen we te horen: ,,U bent wat aan de vroege kant, ga eerst maar even wat rondlopen of een kop koffie drinken in Americain.”
Tijdens de autorit van Amsterdam naar Leeuwarden vroeg ik Mulisch een paar keer iets, maar hij reageerde onwelwillend, zodat ik dacht: dan maar niet. Het interview blijft een verrassing.
Theater Romein was vol. Het publiek gespannen. Toen ik begon met de opmerking dat de roman mij zeer had geboeid ‘als een goed jongensboek’ ging het helemaal fout. Hij beantwoordde nog een paar gemakkelijke vragen, maar toen ik enige kritiek had op zijn bespreking van Spinoza, vroeg hij verbaasd waar ik het lef vandaan haalde om daar kritiek op te hebben. ‘Ik heb Spinoza gelezen en ook over hem. ‘ Mulisch negeerde de kritiek. Onder het publiek ontstond enig rumoer. De voorzitter stelde voor even pauze te houden, maar Mulisch zei dat hij nog iets zou voorlezen en dan stop ik. De pauze ging niet door en vele liters koffie moesten weggegooid. De rekening ging naar de Vrienden van de Literatuur. Mulisch verdween zonder afscheid te nemen. Ik zou nog mee terug gaan naar Amsterdam, maar daar had ik ook geen zin meer in.
De Vrienden van de Bibliotheek hadden al vele belangrijke schrijvers naar Leeuwarden laten komen voor een interview en voorlezing: Nooteboom, Hella Haasse, A.F.Th en Campert onder andere, maar dit hadden we nog niet meegemaakt.

Ik kijk naar mijn zoon
dankzij hem kan ik langer leven
mijn cellen in zijn bloed
nooit raak ik hem kwijt
niet nu hij vijftig is en ik
denk aan de ronde baby
op zondagmiddag in de zon
toen de navelstreng werd
doorgeknipt maar hij altijd
met mij verbonden bleef
ook toen hij viel ver weg
en mijn knieën even knikten.

Wat herinner je je van je vader? In ‘Strikken’ van Domenico Starnone is het de manier waarop hij zijn veters strikte, een gewoonte die zijn zoon overnam.
De titel van de roman heeft te maken met zich verstrikken in echtelijke ontrouw. Aldo wordt als 32-jarige verliefd op de 19-jarige Lidia. Het is een vreugdevolle verhouding, maar hij laat voor haar zijn vrouw Vanda in de steek, samen met zoon Sandro en dochter Anna. Pas na jaren keert hij terug en zijn vrouw neemt gruwelijk wraak door hem te kleineren en te koeioneren. Hij laat dat gebeuren. Als ze tachtig zijn keren ze terug van een weekje vakantie, vol gekibbel en dan blijkt hun appartement overhoop te zijn gehaald door inbrekers, zigeuners wellicht. Alles is kapot, boeken verscheurd, vazen gebroken. De politie wordt er bij gehaald, maar dat levert weinig op. Aldo gaat wanhopig opruimen. Hij vindt de brieven die zijn vrouw schreef en die hij nooit beantwoordde in zijn euforie met Lidia. Hij zoekt de naaktfoto’s van Lidia, die in een geheim vakje van een blauwe kubus zaten en die verdwenen zijn. Hij vermoedt dat de zigeuners hem willen chanteren met de foto’s. Zijn vrouw denkt dat ze losgeld zullen vragen voor de kat.
Het boek bestaat uit drie boeken. In het eerste lezen we de brieven van Vanda. Ze is woedend en terecht, want Aldo laat haar maanden en jaren in de steek en bekommert zich ook weinig om de kinderen. Zij zet hem uit zijn vaderschap. De kinderen groeien op zonder vader en met een zuinige en woedende moeder. Af en toe zoekt hij de kinderen op of vraagt ze te logeren in het huis van een vriend, want hij wil Lidia niet met ze belasten. Hun vader wordt een vreemde. Hoe herinner jij je vader?
In het tweede boek is Aldo aan het woord. Hij legt zichzelf uit wat hem is overkomen en deze lezer denkt: ja, maar je hebt je gezin gruwelijk in de steek gelaten. Nu krijgen we te lezen over de inbraak en over de wraak van zijn vrouw. In boek drie komt de dochter aan het woord, inmiddels een vijftiger. Zij is geestelijk verminkt door de gezinssituatie. Ze heeft ruzie met haar broer. Samen moeten zij de kat verzorgen. Uiteindelijk halen zij het huis overhoop op zoek naar bewijzen van ontrouw van de moeder en neemt zij de kat mee zonder bericht achter te laten.
Er waren twee recensenten die toch nog enige hoop zagen in het hele verhaal. Wat was dat dan? Dat Anna haar huilende broer troostend omarmt. Daarna gaan ze samen de boel kort en klein slaan en neemt zij zonder bericht de kat mee. De kinderen zijn evenzeer slachtoffer van de ontrouw van hun vader en de wraak van hun moeder.

Toen Cor Jellema uit de stad verhuisde naar Leens, miste hij de gezelligheid en het contact met kunstvrienden. Samen met Tiddo Nieboer, Gerard Koster en Jacqueline Kazemier besloot hij een nieuwe club op te richten, die zich richtte op beeldende kunstenaars, schrijvers of musici. Ze kozen als naam Groninger Kroon, omdat het de naam was van zo’n oud ras van blozende appeltjes. Aspirantleden werden gevraagd door bestuur of zittende leden. Soms kan ook iemand zich aanmelden omdat hij of zij van de club heeft gehoord. Een nieuw lid wordt soms twee maal uitgenodigd voor een bijeenkomst, zodat hij/zij kan beoordelen of het wat voor haar of hem is.
Het aantrekkelijke van De Kroon is het delen van inzichten of het verkrijgen van nieuwe ideeën, naast natuurlijk het ontmoeten van interessante mensen.

Van plek naar plek en soms terug

De club vond gastvrijheid in De Gouden Karper in Winsum en later in Café Hammingh in Garnwerd en de Allersmaborg in Ezinge. Nu zitten we in het huiskamercafé in Warffum.
De bovenzaal van Hammingh was tijdens een vergadering al gauw blauw van de rook, want Cor en zijn vrienden rookten sigaren. Na de lezing door een lid kwam de cognac op tafel en soms moesten enkele leden met zachte dwang het pand verlaten.
Elke veertien dagen kwam de club bij elkaar. Er was een bestuur dat gekozen werd door de leden en dat tijdens een jaarvergadering werd herkozen of gedeeltelijk aftrad. Er was een activiteitencommissie die zocht naar leden die een interessant verhaal konden vertellen over hun werk. Zij werden beloond met een fles wijn. Ook werden externen gevraagd of ze iets konden vertellen over kunst en cultuur. Zij werden beloond met een kunstwerk, een gebakken appeltje dat versierd werd door één van de leden.
Af en toe was er een avond bij iemand thuis of in het atelier, met als voordeel dat het werk niet versjouwd hoefde te worden. Veel avonden leverden ontroerende geschiedenissen op. En dan waren er nog bijzondere boekjes gemaakt door Rob Leopold en Eva Kipp.

Wat doet De Kroon nog meer?

De leden komen in het begin van het seizoen in september bijeen in of rond het atelier van een kunstenaar. Aan het eind van het seizoen nemen we in juni afscheid van het jaar met een buffet dat verzorgd wordt door de leden. Elk jaar worden heerlijke gerechten binnengebracht: salades, soep, kaastaarten, rijstgerechten, haringen, fruit en mooie toetjes.

Er worden excursies georganiseerd, enkele malen zelfs gedurende een aantal dagen; soms in Duitsland.
We hebben bijzondere lustrumfeesten gevierd, bijvoorbeeld in de Allersmaborg met een prachtig diner, belicht door glaskunst. In het Koetshuis werd werk gepresenteerd van de leden. In het kerkje van Fransum was een feest met eten en muziek en ooit bij Anne Wine was er een tuinfeest waar buiten gerookt mocht worden door de enkele leden die dat nog deden.

De wereld om ons heen, zoals wij die ervaren: wind, bomen, brood, de geliefde, dat is de bron van onze poëzie. In de concrete werkelijkheid openbaart zich een veronderstelde achterliggende waarheid en schoonheid. Het is als een epifanie, een verschijning, openbaring, zoals in de christelijke theologie het goddelijke zich openbaart in de mens geworden godheid. Het woord is vlees geworden en omgekeerd zal in een goed gedicht het vlees woord worden. Ik denk hierbij meteen aan Gerrit Kouwenaar die bijvoorbeeld in zijn gedicht ‘Volledig volmaakte oneetbare perzik’ met een treffende, driedubbele synesthesie noteert:

‘als een blinde met één dove hand
aan het hongerig uitgevierd zintuig

verslindt men de krekels de nachtwind de wereld, dit
is niet te verzinnen, geen zin, alles

zit fit in zijn schil onder de lichtrose maan, vol-
ledig volmaakte oneetbare perzik’

Hier lijkt sprake van een niet metafysieke openbaring: de wereld is genoeg, vol-ledig volmaakt, de transcendentie van een onbegrijpelijke leegte: ‘geen zin’. Hier wordt niets geopenbaard door de goden, het ontstijgt aan het eenvoudig hoorbare, zichtbare, voelbare.

James Joyce laat Stephen, de jonge held uit zijn eerste autobiografische tekst zeggen: ‘Met een epifanie bedoelde hij: een plotse spirituele openbaring, hetzij in de banaliteit van het gezegde of van een gebaar, hetzij in een gedenkwaardig ogenblik van de geest zelve.’
‘Het is’, zoals Pascal Cornet schrijft in zijn beschouwing over ‘De draagwijdte van het triviale’ (zie http://pascaldigital.blogspot.com/2009/03/dag-557-vvh.html) ‘Joyces overtuiging dat de kunstenaar (die hij bij het schrijven van Stephen Hero o zo graag wil zijn) voor deze eruptie van spiritualiteit oog hoort te hebben. Hij moet achter de schijn van de vluchtige werkelijkheid iets met een grotere consistentie en geldingskracht kunnen ontwaren.’
Dezelfde Stephen zegt: ‘Voor schoonheid heb je drie dingen nodig: eenheid, harmonie en helderheid.’
Het gewone, alledaagse kan iets openbaren en dat heeft natuurlijk alles te maken met het associatie-vermogen van de dichter en zijn of haar talent om persoonlijke, dat wil ook zeggen nieuwe symbolen te scheppen.
In een gesprek over zijn Vermeer-gedicht zei Ramsey Nasr: ‘Zijn werk is niet religieus, wel transcendent. Ik heb het niet meer in het gedicht opgenomen, maar het hogere zit in de huiskamer zelf.’

In het gedicht ‘dagval’ van Trix Giebels uit haar ten onrechte niet in de pers opgemerkte bundel ‘En geen andere ruimte dan die in je hoofd’ is er ‘de grote Chinese vaas, ooit in vele stukjes gebroken en weer met / eindeloos geduld de stukjes aan elkaar gelijmd, beeldt vroeger thuis’. Die gelijmde vaas als symbool van thuis is misschien niet zo nieuw of verrassend, maar dat is het verder in het gedicht genoemde handvatje van ’t laatje van ’t smalle kastje, in al zijn bescheidenheid wel.

‘en weer is er dag / staan de stoelen leeg / brandt de zon / slaapt de hond / en staart ’t handvatje van ’t laatje van ’t smalle kastje / dwars door de stilte / de spiegel een gat in de muur / waarachter / de verloren stoelen / het verweesde plafond / de verraderlijke vloer, het denkbeeldige licht’.

Wat willen de dingen van ons? Kopland schreef een reeks ‘Dankzij de dingen’ waarin de dingen ontwaken, ‘het brood weer gaat ruiken naar brood, / de gebloemde theepot naar thee / en de lucht naar oude mensen’. ’s Avonds verlangen de dingen weer naar verdwijnen en in de nacht worden ze schaduwen van zichzelf. Ik denk dat de dingen bij hem ons willen leren te verdwijnen, te sterven. Dat openbaren ze in die gedichten.

Over het water van de grensrivieren Styx en Acheron worden de doden naar de overkant gebracht. De Lorelei trekt de scheepslieden in de stroom naar beneden in de onderwereld. Het land is een symbool van het bewustzijn. De aanlegsteiger is een schakel tussen aarde en water en een symbool van de zwevende situatie tussen bewustzijn en het onbewuste.
‘In het water kijken’ betekent naar zichzelf, naar zijn schaduw toegaan.
Geen wonder dus dat in de poëzie water een belangrijk element is. Er is een ontzagwekkend uitgebreide bloemlezing te maken van watergedichten. Zelf bleek ik meer dan 50 watergedichten te hebben geschreven.
Ik begin met Kloos:
Van de Zee

De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining,
De Zee, waarin mijn Ziel zich-zelf weerspiegeld ziet;
De Zee is als mijn Ziel, in wezen en verschijning,
Zij is een levend Schoon en kent zichzelve niet.

Zij wischt zich-zelven af in eeuwige verreining,
En wendt zich altijd om, en keert weer waar zij vliedt;
Zij drukt zich-zelven uit in duizenderlei lijning
En zingt een eeuwig-blij en eeuwig-klagend lied.

O Zee, was Ik als Gij in al uw onbewustheid,
Dan zou ik eerst geheel en groot gelukkig zijn;

Dan had ik eerst geen lust naar menschelijke belustheid
Op menschelijke vreugd en menschelijke pijn;

Dan was mijn Ziel een Zee, en hare zelfgerustheid,
Zou, wijl Zij grooter is dan Gij, nog grooter zijn

Willem Kloos

Stromend water, en vooral zeewater, spoelt boze magie weg. Om chtonische goden (aardgoden) te bezweren, moet men bronwater gebruiken; hemelse wezens roept men daarentegen met regenwater op. De dauw, die op halmen condenseert, is volgens Plinius (23‑79 n.C.) een ware artsenij, een hemelse gave voor ogen, zweren en ingewanden’. Dauw ontstaat volgens voorstelling van de Ouden uit de stralen van de maneschijn of de tranen van Eos, de godin van de dageraad. In de christelijke symboliek is de dauw als de uit de hemel neerstromende genadegaven van God. In de alchemie werd ‘ros caelestis’ (hemeldauw) in doeken verzameld, zoals in het ‘stomme boek’ (Mutus liber) uit het jaar 1677 wordt vermeld.
Ook in de symboliek van de dieptepsychologie wordt veel belang gehecht aan het element water, dat niet voedt, maar wel een levensnoodzaak is en dat ook leven schenkt (kinderen komen uit plassen of bronnen in de mensenwereld) en behoudt. Het is het grondsymbool van alle onbewuste energie, en dus ook gevaarlijk, als het (bijvoorbeeld in dromen) door overstromingen buiten zijn grenzen treedt. Het is echter een gunstig symbool, als het water (als vijver of rivier, maar ook als meer dat niet buiten zijn oevers treedt) op zijn plaats blijft en daardoor, zoals in veel sprookjes, echt ‘levenswater’ is.
Een ambivalent symbool dat in vele mythen wordt gezien als oerzee, de bron van alle leven waarin geheimzinnige wezens huizen, maar dat ook het element van oplossing en verdrinking bevat.
Water heeft nog verscheidene andere symbolische betekenissen:
Het leeftijdsloze water is door zijn ondoorgrondelijke diepte een symbool van de chaos of het onbewuste, van die werkelijkheid waarin alles potentieel aanwezig. Het is dan verwant met het Chinese Tao. Een terugkeer naar het water, het onbewuste, geeft alles terug wat verloren is gegaan door de entropische krachten van de tijd en herstelt het vermogen om open te staan voor nieuw leven, nieuwe ideeën en nieuwe relaties. Het onbewuste bevat net als het water het element van het verborgen‑zijn, de vervoering en het geheim. Het oerwater, waaruit de aarde als oerheuvel is ontstaan, is ook de plaats van de gedaanteverwisseling ( Proteus) en van de verlossing.

Wijdverbreid is de verering van water dat rechtstreeks uit de aarde opwelt, als een geschenk van de onderaardse goden, vooral als het warm is of veel mineralen bevat (thermische en geneeskrachtige bronnen). Diverse grotten in de Pyreneeën, waar in de IJstijd culten werden onderhouden, bevinden zich in de buurt van zulke bronnen. Ook in de Oudheid werden ze vereerd; votiefgeschenken getuigen hier nog van. Vooral bij de Kelten werden heilige bronnen vereerd, omdat het water ervan afkomstig zou zijn van de schenkende Moeder Aarde (bijv. de godin Sul van de warme bronnen in Bath, Engeland). Het gebruik, munten in bronnen en fonteinen te werpen, zal wel teruggaan op symbolische offers aan watergoden, die wensen zouden kunnen vervullen, volgens de gedachtegang water‑aarde‑vruchtbaarheid‑geluk en rijkdom. Ook nimfen werden bij bronnen vereerd, als verpersoonlijking van goede natuurkrachten; bij de Grieken bijvoorbeeld de Najaden.
De voorstelling dat ritueel gewijd water zegen kan brengen, waarbij de reinigende en bevruchtende werking van het water in een religieuze rite vervat is, beperkt zich niet tot de katholieke eredienst, maar komt ook in culten buiten Europa voort, zoals in het parsisme. In Indonesië worden in trance verkerende dansers met gewijd water bevochtigd, om ze tot de werkelijkheid terug te laten keren. Een symbolisch reinigend werking had water onder mee in de laatantieke Isis‑cultus Het christelijke doopwater moet als sacrament alle overgeërfde smetten afwassen en zo een ‘wedergeboorte’ doen plaatsvinden. In het oude Mexico bestond een soortgelijk wassing van pasgeborenen, waarbij de vroedvrouw de bede uitsprak dat het water alle kwaad dat het kind vanwege de ouders aankleefde, zou wegnemen. Ook rituele baden zijn in veel oude culturen bekend, baden die dus niet alleen als hygiënische handeling dienden, maar ook als symbolische reiniging. Zo waren er de kunstmatige badvijvers in de ruïnestad Mohendsjo‑Daro uit de Indusbeschaving, de nog steeds bestaande rituele reiniging van hindoes in de Ganges, de ‘lustratiebekkens’ in Knossos op Kreta, reinigingsbaden aan het begin van de Eleusinische mysteriën en soortgelijke symbolische handelingen in laatgriekse culten (‘voor de vromen is een druppel genoeg, maar zondaars kan ook de oceaan met zijn stromen niet schoonwassen’). Ook in het oude Mexico kende men symbolische reinigingsbaden; de priesterkoning van de heilige stad Tollan placht te middernacht rituele wassingen te verrichten, en de stad Tenochtitlán had drie gewijde badplaatsen. Bij het Xochiquetzal‑feest (‑ bloemen) moest heel het volk ’s morgens vroeg baden, en wie dit verzuimde, werd met huid‑ en geslachtsziekten gestraft. Rituele wassingen behoren in de islam tot de religieuze regels; slechts als water ontbreekt (in de woestijn) mag het door zuiver zand vervangen worden.

Psychologisch is water een symbool van de onbewuste diepere lagen van de persoonlijkheid, waarin geheimzinnige wezens huizen (‑ vissen). Als een van de elementaire symbolen is het ambivalent, omdat het enerzijds leven en vruchtbaarheid schenkt, anderzijds verzinken en ondergang vertegenwoordigt. Elke avond zakt de zon in het water van de westelijke zee, om ’s nachts het dodenrijk te verwarmen; daardoor staat het water ook in relatie met het hiernamaals. Dikwijls worden de ‘onderaardse wateren’ met de chaos van de oertijd geassocieerd, terwijl het uit de hemel vallende regenwater als levenschenkend wordt beschouwd. Draaikolken (‑ spiraal) verbeelden moeilijkheden en ommekeer, rustig voortstormende rivieren het planmatig verlopende leven. Vijvers en poelen van vooral ook bronwateren worden in veel culturen als verblijfplaats van natuurgeesten beschouwd, van nixen en nimfen, van diverse voorspellende  (en vaak ook gevaarlijke) waterdemonen. Ook hierin komt de tweeduidige symboliek van het water tot uiting. Een soort dualiteit vormt in het christelijke sacrament het met wijn vermengde water, waarbij het passieve element vermengd wordt met het ‘vuur’ van de wijn, wat duidt op de twee naturen (God en mens) in de persoon van Jezus. Ook het beeld van de Temperantia (matiging), bijv. op tarotkaarten, vertoont de vermenging van water en wijn. Water speelt in de christelijke iconografie overigens vooral een rol als reinigend element, dat bij de doop de smetten van de zonde afwast. Bekend is het veelvuldige gebruik van wijwater in de katholieke kerk. Het wassen van boeddhistische beelden in het verre Oosten. Men kent zowel het nog niet met zalfolie (chrisma) vermengde wijwater als het op bepaalde hoogtijdagen gezegende ‘aqua benedicta’, dat gelovigen mee naar huis nemen om er hun wijwaterbakje mee te vullen. Men doopt er de vingers in om het kruisteken te maken, terwijl ook wel druppeltjes van het gewijde water in huis geplengd worden. De volksvroomheid wil dat op aarde gesprenkelde wijwaterdruppeltjes ook de ,arme zielen in het vagevuur’ helpen en de gloed van de louterende vlammen verzachten. Een nicht van mij nam water mee uit Lourdes. Als het flesje bijna leeg was, vulde ze het aan met kraanwater. De heilzame kracht bleef immers gespaard.
Vreemd aan het Europese wereldbeeld is de opvatting van het hiernamaals als waterrijk, zoals die, te oordelen naar afbeeldingen op beschilderd aardewerk, vermoedelijk bij de Maya’s van Yucatán (MiddenAmerika) bestond. Bij de Azteken heette het paradijs van de regengod Tlaloc ‘Tlalócan’, een heel wat vrolijker oord dan de onderwereld Mictlán, waar gewone stervelingen na de dood verbleven (‑ hel).