Ik las een verhaal over
een bos dat zich opende
boven een dal
en de regels werden jaloezieën
en daartussen zag ik het groen
en blauw; ik hoorde vogels
en ik rook de wind
die omhoog steeg.

De regels werden jaloezieën
maar voor ik de openingen
met mijn vingers groter kon maken
sloten de letters en de regels zich
aan elkaar en tussen de regels
was het wit en het papier
was dicht als een deur.

Totdat er iemand komt die mij ziet
in de stilte, die naar me luistert
in het donker is geen plekje in mijn hersenen
waar het geluk zit, maar wanneer ik
genees van mijn gesloten toekomst
wordt het daarboven weer soepel
lenige zenuwcellen, herstellende banen.

Hij brak mijn limbisch zwijgen: de amygdala
begon te glanzen en er was druk verkeer
tussen de dendrieten.

Hij zei: ‘Het is mijn taak serotonine vrij te maken
en dat kan alleen als er voldoende
aminozuur aanwezig is. Dat zuur zit
in bananen. Je moet je brein flexibel houden
door een goed gesprek, een prima pil
of een kromme banaan. Fietsen is ook niet gek.
Maar zo eenvoudig is het niet, dat begrijp je wel.’

Hij grijnsde: ‘We gaan er hard tegen aan!’

Ervaring, herinnering, droom, bedoeling:
zullen we ooit weten hoe ze zijn
gevangen in natte cellen en aanleiding
geven tot hartvang, -klopping, -geruis
door een serie klanken, lichte kleuren
geheime geuren, een nog onbekende huid?

Wordt het geheim straks blootgelegd
in formules, wentelende codes en blijft het
niettemin een wonder hoe stof
vergezichten laat zien, briljant aanwezig
harmonieën laat horen, geuren wakker maakt
voor een geest die daar niet aan te wijzen is
maar eigenwijs zichzelf in het centrum zet
van oceanen, riffen, schilderslinnen, concertgebouw?

Er valt iets in het water
en de rimpeling ben ik.

De zwarte kat ligt
in een mand op kranten
terwijl hij zijn ogen knijpt
en lijkt te denken aan wat
hij vanavond zal gaan doen
en ik wil lezen wat daar ligt
onder de kat, over de ontcijfering
van lineair A, krassen op vazen.

Dansend met het lichaam
en de hersenen af en toe
een duwtje geven, zachtjes.

 

Zij probeert hem uit te leggen
wat een fuga is. ‘Geen canon.
Juist niet. Wel klinken de stemmen
samen in harmonie, sopraan en bas.
Als kleuren, helder licht of warm
of koel die zich gaan vervlechten.

Iemand spreekt een zin uit.
Een ander neemt hem over
terwijl de eerste verder gaat
en een derde begint: de alt.
We houden het eenvoudig.
Steeds hetzelfde thema, wacht!

Soms vallen ze elkaar in de rede.’
‘Of liever in de armen’ zegt hij
terwijl zij de toetsen van de piano
streelt en hij zijn handen dwalen laat.

Zijn rechterhand is de snuit
van een listig beest, likkend aan
bijtend op en zuigend aan de klanken.

Met een goudglimmend oog loert hij
naar de toetsen. Hij streelt
snoept met zijn gevoelige mond
steeds zijn gretig enthousiasme
buitelend over het klavier.

Hij is een vos, spelend
met zijn prooi, sensitief
een wolf plotseling
razend achter appassionato.

Hij pakt de klanken op
gooit ze omhoog
heeft geen tijd
om ze na te kijken.

Snuivend holt hij verder
alsof hij de leider
van een roedel is.

Tenslotte ligt hij languit
uit te rusten, smakt nog even
doezelt weg en wil alleen
nog maar slapen
op de rand van de vleugel.

Het meisje, de jonge vrouw luistert
naar de muziek, Wohltemperiertes.

Wat nu als iemand, een jongen
een man, haar zachtjes benadert
en haar kust achter en onder haar oor
tegen de haargrens aan, het opgebonden
haar, zo dat ze het nauwelijks merkt
omdat ze zo geconcentreerd luistert?

En dan gaat hij zachtjes met zijn mond
over haar wang naar haar mond
en hij kust haar daar, zodat ze wel moet
merken wat er gebeurt, zou ze dan
dankbaar haar mond een beetje openen
en de kus ontvangen?

Een andere man kijkt naar het raam
in de kerk en verwondert zich over
de esthetiek van de lijnen
de hoogoprijzende zingende
in de gothische boog. Hij hoort
de muziek en geniet van het raam.