‘Miskenning’, zegt Vestdijk in een essay over Emily Dickinson, ‘treft slechts diegene die miskend wil worden! Er bestaat zelfs een bepaald kunstenaarstype, dat krachtens zijn wezen, dus geheel afgezien van rang en waarde, voorbestemd is, betrekkelijk onbekend te blijven, niet alleen tijdens het leven, maar nog zeer lang daarna.’
Wat zijn de kenmerken van dit type? ‘een zekere ontoegankelijkheid en hardheid, meestal reeds in de factuur  (de structuur van het materiaal, R.E.) bespeurbaar, een moeilijk definieerbaar asceticisme, een weerbarstigheid, die zich het duidelijkst manifesteert in een totaal gemis aan aanpassing aan de publieke smaak. Dit negatief kenmerk wordt echter in ruime mate vergoed door de argeloosheid en oorspronkelijkheid, waarmee zij telkens weer het hoogste of essentieelste in hun kunst benaderen.’
  p.74: ‘Een ménage à trois. Polyamorie. Voor ze haar vriendin Alma in vertrouwen had genomen, had Caren er veel over nagedacht, de betekenis ervan en de voor-en nadelen afgewogen. Dat je zoiets niet deed. Eigenlijk.’
Ook hier welbeschouwd.
Caren is journaliste en reist de wereld rond op zoek naar rampen, terreurdaden. Ze wil getuige zijn. Ze heeft een verhouding met Ben en ze weet dat Ben nog een vriendin heeft. Ze heeft met die vriendin afspraken gemaakt over de dagen dat zijn hun minnaar zien en met hem slapen. Dat gaat heel goed, denkt ze. Ze weet niet veel van Ben, maar dat heeft ook te maken met haar gebrek aan binding met hem. Ze wilde zich niet in verplichtingen verstrikken. Al met al lijkt ‘Wittgenstein op de luchthaven’ een pleidooi voor een binding tussen gelieven. Het gevaar van gewoonte wordt voor lief genomen. Vrije liefde lijkt mooier, gelukkiger, maar net als bij Sartre en De Beauvoir levert het ook veel ellende op.
Wat zegt Alma tegen Caren? Ze vindt Ben een zielepiet omdat hij liefde en erkenning van twee vrouwen nodig heeft. Let wel: Alma krijgt het perspectief van Caren te horen.
Husch Josten weet hoe ze een verhaal moet vertellen. We krijgen het perspectief van Caren en dat zorgt voor de verrassing tegen het eind van het verhaal en het begin van een nieuw verhaal. Caren heeft het verkeerd gezien! Ze heeft niet over haar eigen grenzen kunnen kijken, denken. (Dit verwijst naar Ludwig Wittgenstein en zijn ‘Tractatus logico-philosophicus.)
Het verhaal begint met een droombeeld van Caren: inzakkend plafond van een terminal, verwijzend naar de aanslagen in Parijs, New York, Londen. Dan krijgen we iets te horen over haar jeugd. De verteller vertelt over Caren, maar verraadt niet wat zij in haar beperkte visie niet weet of ziet, hoe het eigenlijk is!
Dan gaat het verhaal over het wachten op het vliegveld. De vlucht naar Londen is uitgesteld en even later worden de passagiers min of meer opgesloten en gecontroleerd door veiligheidsagenten. Caren zit tegenover een oudere man die Wittgenstein leest. Ze raken in een intelligent gesprek. Caren is van veel op de hoogte.
Wat heeft dit alles te maken met Ludwig Wittgenstein?
Eigenlijk
Wat betekent ‘eigenlijk’ eigenlijk?
Het is nu een stopwoord. Sommige mensen zeggen het om de twee zinnen die ze uitspreken. Het is betekenisloos geworden. Je kunt het meestal weglaten, net zoals ‘zeg maar’.
Daadwerkelijk, echt, feitelijk, in engere zin, in werkelijkheid, in wezen, inderdaad, letterlijk, waar(lijk), welbeschouwd.
Het komt van ‘eigenleke’ (1240 Bern): van zich zelf, van de eigen persoon.
Husch Josten, of misschien moet ik schrijven Anne Folkertsma, de vertaalster van de roman ‘Wittgenstein op de luchthaven’ gebruikt het woord een aantal malen.
‘Dus ze zou sterven en niemand zou Julien op de hoogte stellen, omdat niemand van hem en haar afwist, van deze nacht die geen rol speelde. Eigenlijk. En dat was het dan.’ (p. 60)
Wat stond er in het Duits?
Het betekent hier ‘in wezen’ denk ik.
Eerder op p. 11: ‘voelde zich opeens de enige overlevende van een inferno dat niemand had horen te overleven. Mogen overleven. Eigenlijk.
In feite.
p.52: ‘De netelige kinderkwestie kwam bijna nooit bij haar op, en als het gebeurde dan heel zijdelings: a;s ze … werd het niet langzaam tijd erover na te denken? Eigenlijk?
Welbeschouwd.
(wordt vervolgd)

ik wacht op de roeiboot

uit de kamer

hij moet langzaam

naar binnen drijven

als een gondel

ik zal hem iets het land op trekken

tot hij stil ligt en dan wachten

tot het avond wordt

pas in het donker wegvaren

met mijn rug de kamer binnen varen

Op weg naar de internationale hoofdstad

van de poëzie, lezend de stem te worden

poëzie, een lange vergadering proza achter de rug

nu een rugzak om de pijn te verstoppen

aankomen hollen naar de Doelen

kaart kopen kijken naar de foto’s van Simon

als jongen Remco tussen het vuilnis

vermoeid een plaats vinden naast een heer

gaan horen hoe het met de dichters is

die aardige verlegen onhandige mannen

altijd kwetsbaar ritmisch wippend

met de woorden een mond van droge

verstaanbaarheid heel laat gaan slapen

in een goed huis een goede kamer

een goed bed de wekker gezet

en na nog geen hand vol uren

verbaasd uitgerust ontwaken

thee drinken weer op weg

ik ben een circus als ik wil

met liefde en trapeze

een bonte mengeling van geluk

hangend aan een koude stang

een zotte levensclown

met schaterend verdriet

een wilde kansen leeuwenkooi

met valse tijgers om de hoek

een hijgend paard

dat zweet van zwepen

een goochelaar met liefde en bedrog

een ringendraaier die ook wel iets laat vallen

een slangenmens die door zijn moeilijkheden kruipt

een grimas-aap die grijnzend

terugdenkt aan het oerwoud

een directeur die buigend bloost van egoisme

het kan weer een mooi droef feest worden

vanavond zei ik tegen een vriend

en even later braken twee feestgangers

een oude zieke piano open

tot enkel wankel klankbord

overbleef met woeste snaren

die soms hoog soms laag

knapten onder het toegewijde rammen

de toetsen lagen toen allang

wit bijeengeschoven in een hoek

twee lange houten armen

speelden trommelstok

 

toen hij eindelijk voorover viel

moe gebeukt en wit verwond

was zijn sterven inderdaad

droef en mooi