‘Aan zee is de hemel rond
en sta ik in het middelpunt’
zegt het meisje verbaasd lachend
om het ongeloof in de klas.

‘Ik zie de zon langs de koepel
dalen tot in het water
en dan zie ik de maan.

Hoe groot? Zo!’ en zij geeft
de maat van een voetbal.

 

 

Hadden de kinderen, hadden de kinderen gerimpelde velletjes?
Ja en ze kwamen net uit de sloot, laarzen vol water.
Ze hadden kikkers gekust, maar die sprongen van hun hand.
Het haar van de oudste leek op mergpijpjes zonder bakkersroom
maar dat gaf niet, ze stond in de sloot te vissen als een reiger
schuin voorover gebogen en plotseling haar felle hand
in het water, beet! Prooi naar de mond, niet om te happen.
Wel spitste ze haar lippen tot net op het natte snoetje.
Even wachten en daar ging hij met een bange sprong.

Nu is ze helemaal schoon en rimpelig warm.
Ze is de kikkers vergeten, verlangt naar het sprookjesboek.

 

 

 

 

 

 

We hebben een slootmeermin
maar ze heeft twee staarten
aan haar hoofd. Ze vouwt
haar benen met laarzen op
in de blauwe schelp
drijvend op het donkere water.

De jonge schoonheid beweegt
haar schelp voort
met twee stokken in haar handen.

Kleine slootvenus, gekleed
voor de winter, omdat in de zomer
de sloot droog staat. Daar gaat ze
onder de brug: even onzichtbaar.

 

 

 

 

Uitzicht op een kinderwagen

tussen de coulissen en de lijst

vóór het witte doek met de lijn

omhoog – of in negatief…

 

De witte kinderwagen, glanzend

voor het zwarte doek, rijdend

op licht naar de duisternis

waarna het doek sluit.

 

 

In de nok van het huis

aan de hijsbalk de schommel.

 

Hier zweefde het bed en de tafel

de piano omhoog en omlaag.

*

Waar is mijn geliefde

tussen de bomen in het groen?

 

Gegaan of gesprongen

waar is zij naar toe?

*

Doodsschommel boven het water

verloren het kind in zijn spel.

 

Boogbrug in de stilte

hoog boven de stroom.

Fluisterende vrouwen

kijk, daar loopt-ie

beelden schieten langs

mythologische paarden.

 

Ontleende emoties

daar houdt hij niet van

ik zie hem lachen

blij met een vondst.

 

Tas op de rug

zo loopt hij over straat

andere mensen ook

over straat ja over straat.

 

Bedelaars met tassen

alles mee, kammetje

brood, praktische dingen

of wat ze leuk vinden.

 

Ze lopen met hun ziel

op de rug, gebukt

meezeulen, maar

vrij in de ruimte.