De jongen van vijf, die heel goed kan praten, zegt tegen zijn broertje van drie, dat hij een poesje is en dat zijn broertje hem naar bed moet brengen. De kleine zegt dat het goed is en hij haalt een kussen en een deken, maar de grote zegt dat hij even moet wachten en nog met de computer moet werken. Pas daarna mag hij ook slapen. Hij zoekt iets dat als computer kan dienen en komt met een houten bord met plaatjes, waarop de kleine gaat drukken. Ondertussen zegt poesje af en toe miauw. Dan gaat de kleine bij de grote slapen. Even later krijgen ze ruzie omdat de kleine niet wil luisteren naar de grote. ‘Luister!’ zegt de grote, maar de kleine trekt aan het kussen en begint te krijsen. ‘Luister nou, anders krijg je een klap.’

We gaan naar buiten.
De grote staat met zijn laarzen in een modderige plas en kijkt verbaasd naar de kringen in het bruine water. Hij zegt: ‘Nu kun je zien dat God bestaat; zo mooi is het.’
De kleine zegt niks. Hij zoekt warmte in zijn kraag en houdt zijn handen in zijn zakken.

De grote fietst op een kleine fiets, wankelend en gespannen. Na een kilometer stapt hij af en zegt dat hij even moet rusten. Hij wil wel naar de volgende stad fietsen, maar dat is te ver.

Advertenties