Ik vond een sierlijke steen
die ik wil onthouden
na mijn vreemde reis
in de diepten van de aarde.

Ik zocht een steen
en hoewel hij me vasthield
wilde ik hem niet bewegen
ons evenwicht niet verstoren.

Ik vond geen steen
maar wel een kleine worm
en samen gingen we op weg
naar beneden, beneden.

De steen die ik vond
heeft een gevaarlijk glans.
Ik liet hem rusten.
Hij ligt er nog.

De steen die ik ontdekte
was zeer indrukwekkend.
Ik besloot hem te laten
voor andere gelukkige vinders.

 

Ik vond een rode, heldere steen
die me deed denken
aan mijn moeder: ik nam hem mee
om haar te verrassen.

Ik vond een steen
die er uitzag als een schelp.
Ik liet hem daar
mooi beneden.

 

 

 

 

 

 

Advertenties