Dichters gaan naar eigen zeggen uit van een beeld, een zin, een gedachte die hen plotseling invalt en die ze opschrijven zonder er zelf veel van te begrijpen, in sommige gevallen. Aldus Arthur Daane in ‘Allerzielen’ van Cees Nooteboom.

De schrijver is duidelijk herkenbaar in zijn personage. Zo schreef hij ooit: ‘Eskaders gedichten zijn op zoek naar hun maker’. Ik veronderstelde dat het zoiets was als bij de Grote Vriendelijke Reus van Roald Dahl, die rondzwervende dromen opzuigt om ze later bij verschillende mensen in te blazen, maar nee. Gedichten zwerven in de taal en worden opgevangen door een dichter; elk zijn eigen gedichten.

‘Was het belachelijk om te zeggen dat een gedicht, hoe klein ook, over de wereld ging?’

 

Arthur is filmer. Hij loopt rond in Berlijn na de val van de muur. Overal ziet hij resten van het verleden, schuld en boete. Het sneeuwt in Berlijn. Op de omslag het beeld van een vrouw, graniet: wit op grijs. De titel: ‘Allerzielen’. Ja, het gaat over de dood, over verdwijnen, geweld, oorlog, waanzin, over een stenen vrouw.

Arthur praat met Victor, gemodelleerd naar Armando, de man die niet van frases houdt, die schildert en beeldhouwt. Arthur is zelf iemand die minder met woorden dan met beelden kan. Hij filmt vooral dat wat over het hoofd wordt gezien. Ondertussen heeft hij wel een scherp inzicht in de geschiedenis van de wereld. Hij heeft veel gereisd. In de roman laat Nooteboom de woorden vooral over aan een andere vriend van Arthur, Arno.

 

In het begin van het boek, dat vooral bestaat uit de overpeinzingen van Arthur  – want dat kan hij wel, denken – sterven al twee mensen: een neger die door een heilsoldate nog even overeind wordt gehouden, en een oude vrouw, die de weg kwijt lijkt te zijn.

 

Arthur is een beeldenman, maar zijn vrienden zijn woordmensen, terwijl Victor, die ook een zwijger is, vaak rake dingen zegt. De auteur is qualitate qua een woordmens, maar tegelijkertijd een beeldenman, een dichter.

 

Het boek gaat over het lijden, het kwaad in de wereld, dat van alle tijden is, al zegt Victor: ‘Wij zijn de grootste helden van de geschiedenis, wij zouden allemaal bij onze dood gedecoreerd moeten worden. Geen generatie heeft ooit zoveel moeten weten, zien, horen, leed zonder catharsis, stront die je meezeult voor de nieuwe dag.’

 

Wij zijn vluchtige namen met een beetje bewustzijn. We denken dat we heel wat zijn, maar ‘wie weet nog de namen van alle miljarden die verdwenen zijn?’

We hebben een opdracht, zegt vriendin Zenobia. We moeten de ruimte in, weg van onze verkilde stronthoop. Nooteboom doet in de roman voorspellingen die gaan uitkomen, ook bijvoorbeeld over ‘de grote verkinderachtiging’, ‘een fatale, onuitstaanbare oppervlakkigheid van mensen’, die niets meer weten, niets meer lezen en allemaal naar dezelfde stompzinnige uitzendingen kijken.

 

Nootebooms schrijven is meer dan een aanklacht, het is een liefdesdaad. Hij moet het ongeziene redden van de vergetelheid, die anders zijn deel zou zijn.

Hij laat de laatste ontmoeting tussen de vrouw Elik en Arthur – want het verhaal is een onmogelijk liefdesverhaal geworden – beschrijven door een koor van, ja wat? Engelen? Geesten? Bewustzijnskernen?

Zij is geobsedeerd door een vergeten Spaanse koningin. Er is geen plaats voor hem. Zij wil geen indringer. Zij neemt hem kwalijk dat hij zich heeft opgedrongen aan haar en dat zij heeft toegegeven. Zij is zelfs zwanger geworden, terwijl zij dat onmogelijk dacht. Er is geen plaats voor hem, maar hij wil weten – terug uit Japan, Berlijn, Estland – wat er gebeurd is tussen hen. Zij heeft hem uit zijn rouw gesleurd, heeft hem bezeten en is vertrokken zonder adres, naar Spanje, naar een archief om het handschrift van de koningin te vinden.

 

Het boek is ook een lofzang op vriendschap. Zonder woorden danst Victor Arthur terug het leven in, nadat hij lang in coma heeft gelegen als gevolg van een overval – geweld, geweld – in Madrid, vanwege zijn camera.

 

Advertenties