Je vrouw Donnina kon lezen en zeggen

wat je moest doen, maar jij vertelde

haar wat gebeuren moest en zij wist

precies wat ze dan ging doen, gehoorzaam

of sluw omdat ze wist wie jij was

en wie jij beloofde te zijn, nu en altijd.

 

Je sprak de taal van je soldaten.

Zij wisten precies wat je wilde.

Een gebaar, een handeling legde dat uit.

Ze keken naar je ogen, hoe je op

je paard zat, waar je naar wees.

Je las het landschap als een boek.

 

 

Je sprak het Italiaans als een soort Frans.

Je vroeg om ‘beefsteak’ in Toscane

en de waard begreep: ‘bistecca’

bracht het snel, ‘rare’, hetzelfde woord

anders gesproken. Je dronk de chianti

betaalde grif met glanzende florijnen.

 

Tot ridder geslagen, maar waar, wanneer?

Op het slagveld door iemand die jij redde

Met wie je terugreed naar het kamp

Weg van de vijand, met wie je wijn dronk

En die je vertelde over hoe hij beter

kon vluchten dan vechten tot het eind.

 

Je leek op een man die gezag had

een man zonder kenmerkende neus

of mond, een man die je vergat

maar niemand kon je vergeten

omdat je wist wat je wilde en begreep

wat de ander van jou wilde, wat je niet gaf.

 

Advertenties