“Binnenkort ga ik naar Japan’ zei ik tegen een blond gebaarde jonge man, die me vertelde dat hij met dubbele tong sprak. ‘Waarom?’ vroeg ik. ‘Het is nog vroeg, of ben je de hele dag al bezig?’ Het antwoord was onduidelijk, hoewel vrolijk. Hij wees op de barman, die ook al zo vrolijk en communicabel was. Ik begreep niet goed wat de barman zei, die mij overigens enigszins verwijtend aankeek, omdat ik niks bestelde. Later maakte ik dat goed door een Leffe blond te vragen. ‘Triple?’ vroeg hij. ‘Ja, doe maar.’ ‘Even kijken wat de schade is’ en hij tikte op een scherm. ‘Vier euro’.

 

’Naar Japan? Zo!’ zei de aangeschoten man, die meteen daarop vertelde dat hij in Indonesië viool had gespeeld en dat de mensen daar veel van Satie hielden. Overal op de wereld promootte hij het muziekleven. De toreador uit Wilhelm Tell. ‘Wilhelm Tell?’ vroeg ik. ‘Is dat wel goed? Moet dat niet die Spaanse opera zijn? Ach, hoe heet die opera?’ Ik moest aan Vestdijk denken, De Koperen Tuin, maar het hielp niet. ‘Bizet’, zei hij. ‘Carmen; nee, ik bedoel Wilhelm Tell.’ ‘Rossini’ zei ik. Hij begon te zingen en ik meende een melodie uit de Wilhelm Tell te herkennen.

 

We waren in een literair café. De wanden bestonden uit boekenkasten vol boeken. Het leven van de Afrikaanse vogels. De I-Tjing. Chinese gedichten. Neerlands Bloed van Freek de Jonge. Ik deed het open en op de eerste bladzijde stond ‘Hiroshima’. Dat was boven, waar een jonge dichteres zou gaan voordragen. In afwachting van haar optreden pakte ik het boek van Freek en las hoe hij op het station in Tokyo een ticket vroeg naar Hiroshima en hoe de lokettist hem niet begreep, omdat hij die naam verkeerd uitsprak. Ik dacht dat ik dat boek verder wilde lezen, in elk geval het deel over Japan.

Ik had een boekje gekocht: ‘Japans voor dummies op reis’. Daarin stonden handige zinnetjes met de uitspraak. Ik oefende ze hardop. Later ontdekte ik een app op mijn iPhone, waarmee je zo’n zinnetje kon laten uitspreken door een Japanse. Het leek niet op mijn uitspraak. Ik begreep de lokettist dus heel goed. Toen Freek naar Hiroshima wou, bestonden zulke appjes nog niet. Nu kun je zelfs een Nederlandse zin uitspreken en het apparaat produceert een Japanse. Je moet wel oppassen. Geen moeilijke constructies, want dat maakt het programma er iets belachelijks of zelfs beledigends van.

 

‘Ja, Japan. En moet je horen: ik heb hier een boek gevonden. Ik denk dat ik het meeneem. Er zijn twee exemplaren van. Ik leg het wel terug als ik het uit heb.’

‘De eigenaar van deze zaak’ zei mijn muzikale gesprekspartner, ‘had een tweedehands boekwinkel en toen hij dit café begon, heeft hij de boeken meegenomen.’

 

Inmiddels was de dichteres voor in de kleine ruimte gaan staan met haar rug naar het publiek. Zij keek op haar telefoontje. Ik keek naar haar ronde billen in haar zwarte spijkerbroek en vroeg me af of ik ook de contouren van een slipje kon zien. Op het juiste moment draaide zij zich om en werd welkom geheten door een jonge studente die het niet nodig vond om haar geschiedenis of kwaliteiten aan het publiek mee te delen. Dat kon ze immers beter zelf?

In de pauze stond ze buiten een sigaret te roken. We keken naar Venus en hadden het over wat ze na haar studie ging doen. Na de pauze vertelde ze over een toneeltekst die ze had bewerkt en ze las een fragment voor. Het leek sterk op haar eigen poëzie. Af en toe nam ze een kleine, damesachtige slok van haar rode wijn. Ja, zo doe je lekker lang met een glas. Ik keek naar haar gezicht en stelde me voor dat ze mijn jongere zus was van wie ik veel hield.

Na afloop reed ik met ‘Neerlands bloed’ naar huis en begon te lezen. Er stond niet veel in over Japan. Er was dezelfde hysterische toon als in de cabaretvoorstellingen en het ging ook eigenlijk alleen maar over   Freek en zijn jeugd en zijn vader. De schrijver verstopte zich achter de naam Paul. Ik bracht het boek snel terug.

 

Advertenties