De oude man zit in zijn kamer.

Hij dacht aan de zeeën en theaters

zijn vrouwen, de kinderen

die de wereld introkken.

 

Uit een binnenzak haalt hij een fotoblad.

Vouwt het uit, houdt het omhoog

en kijkt weer naar de foto’s

op het bijna versleten papier.

 

Hij ziet een man in een wit pak

met fijngesneden broek

een wit vest, passende das.

Op zijn hoofd een borsalino.

 

Nu ga ik het doen, denkt hij.

 

Hij komt een winkel uit

zet een witte, strooien hoed

een beetje scheef, trekt even

aan de zilveren ketting

streelt het smetteloze wit.

 

Vergeet de borsalino

strijkt over zijn witte snor

en stapt weer op zijn vouwfiets.

 

Een fiets met een pakjesdrager.

Onder de snelbinder een papieren zak

met zijn gewone kleding.

 

Hij rijdt rond door de stad

ziet passanten, lantaarnpalen

bloembakken, zebra’s.

 

Stopt bij drie meisjes.

Ze dansen een spel met wit elastiek.

Eén springt in het midden.

 

Rijdt verder tot een brug

stapt af en trekt de fiets omhoog.

Het is een houten boogbrug.

 

 

Zet de fiets tegen de railing.

Leunt tegen het hout.

Kijkt naar het water: klik!

 

Wandelt de brug af, ontmoet

een jongen, zegt iets, steekt

een sigaret op, lacht.

 

Vervolgt zijn weg, komt

bij een glazen gebouw

kijkt: een halve ziggurat.

 

Kijkt omhoog, met zijn handen

op zijn heupen, jasje open

hoed iets naar achter: klik!

 

Stapt over het plein met klinkers.

Kiest een rij en balanceert

over de stenen, zijn armen gespreid.

 

Keert aan het eind, kiest

een andere rij: klik!

Hij valt niet.

 

Tenslotte wandelt hij terug

pakt de fiets en rijdt

de helling af, in de vrijloop.

 

Rijdt langzaam naar huis.

Langs de dansende meisjes.

Denkt: dit is de mooiste dag.

 

 

Advertenties