Algemeen werd aangenomen dat de Nederlandse schrijvers en dichters laat waren met het volgen van de avant-garde in Europa.
De lezers waren laat, de pers was immers negatief over de pioniers. De criticus van de Rooms-Katholieke Boekenschouw achtte de Dadaïsten verdorven.
De gevestigde schrijvers waren laat. Greshoff bij voorbeeld vond dat Marinetti, de futurist bizar was. Hij was heel begrijpelijk geschokt door zijn uitspraak dat een glanzende raceauto mooier was dan een beroemd Grieks beeld.
De Stijlgroep was op tijd, met Theo van Doesburg en Piet Mondriaan. Zij werden echter niet geaccepteerd door de heersende tijdschriften, zoals De Gids. Na 1916 verwierp de redactie nog Herman van den Bergh, Theo van Doesburg en zelfs de jonge Nijhoff. In 1919 werd A.Roland Holst verwelkomd. Hij haalde de jonge Marsman binnen, zij het niet zonder problemen. Huizinga noemde zijn gedichten een ontheiliging van het verheven mirakel van de taal. Iedereen kan zo wel schrijven; het is helemaal niks.
Men bejubelde nog de Tachtigers, die puur en vitaal geacht werden, in tegenstelling tot Dada, dat vermoeid werd genoemd: geen wedergeboorte van Tachtig, maar een afsterven, een apathie van Franse Romantiek na de Napoleontische oorlogen. Dada is doelloos, waanzinnig, schetterend, ijdel. Dada biedt geen vooruitgang, geen wijsheid. Dada loopt vast in de modder.
De socialisten, voor zover ze zich bezig hielden met de literatuur, vonden de avant-gardisten, de Dadaïsten, futuristen, te individualistisch, burgerlijk en onbegrijpelijk voor de arbeiders.
De beste verklaring voor het feit dat de historische avant-garde in Nederland niet aansloeg, is volgens Van den Akker en Dorleijn het feit dat de Tachtiger Beweging met succes had gestreden tegen de 19de-eeuwse opvattingen. Tot 1920 betekende nieuw en modern eenvoudig Tachtig. Toen de avant-garde opkwam was de plaats voor vernieuwing al bezet door Tachtig.

Advertenties