De torens van Lübeck, daar hebben de gidsen het over, maar de kerken…
Het begint met de Petruskerk, die gebruikt wordt als concertzaal en waar je voor een behoorlijk bedrag de toren kunt beklimmen. De kerk met de meer dan 100 meter hoge toren staat al hoog, op een heuvel waar Lübeck op is gebouwd. Altijd droge voeten en toch dicht bij zee…
In de oorlog is de kerk verwoest en pas laat hersteld met 30 gewelven en 20 slanke zuilen.

Aan de andere kant van de Holstenstraat – met aan het begin de beroemde poort, waarvan de torens behoorlijk scheef zijn – maar omdat ze niet zo hoog zijn en wel heel dik, zullen ze wel niet omvallen – de Mariakerk met de zeer hoge voorgevel, een bergwand van rood baksteen en het hoogste baksteengewelf van de wereld. De torens zijn 125 meter hoog. Binnen kun je gemakkelijk uren bezig zijn met het bekijken van alles. Ik schreef hier al over: de neergestorte klokken, het uurwerk, de ontmoeting van Bach en Buxtehude.

De Jacobikerk werd niet geschonden in de oorlog. De kerk is natuurlijk gewijd aan vissers en zeevaarders. Jakob spoelde immers aan in de buurt van Compostella. Hier zijn ook de orgels gespaard. In de kerk ligt een kapotte sloep als herinnering aan de slachtoffers van de scheepsramp met de Pamir, een soort Titanic-ramp. Het zusterschip, de Passat, die nu in Travemünde ligt om bekeken te worden, werd destijds uit de vaart genomen.
Onder die kapel is een colombarium met de as van bijvoorbeeld iemand die in 2016 stierf.

De Dom heeft een indrukwekkend triomfkruis van hout. Maria Magdalena werd uitgesneden naar het model van de Beischläferin van de bisschop die opdracht gaf voor het kunstwerk. Tijdens de oorlog was het domkapittel nazigezind.

In de Aegidiënkerk heb ik lang gezeten. Het was buiten koud, onder de platanen en linden, maar in de intieme kerk scheen de zon op een stoel. De sfeer is, misschien door de relatief geringe omvang van de kerk, bijzonder. Wonderlijk dat ik me daar zo thuis voel, terwijl ik toch weinig of niets moet hebben van de predikers.

Advertenties