In oktober ’89 liep ik om het Kremlin
zeven maal op mijn loopschoentjes
begon bij het mausoleum, eerst
natuurlijk uit het hotelbed
aan het Rode Plein, door de lege
gangen, langs de tafeltjes
met doodstille vrouwen
de lift naar beneden, langs de portiers
die me lieten gaan zonder vragen
linksaf langs het mausoleum
naar de Moskva, waar nog geen ijs
lag, hoewel de straten besneeuwd

-’s avonds het sloffen van honderden
voeten in de stille straten –

langs de Peterstoren en de naamloze
torens, de toren met de geheime ingang
de hoek om bij de watertoren
door de Alexander-tuin, onder
de Drievuldigheidsbrug, langs
de graven van de gevallen soldaten
elke dag bloemen, onder de hoge
muur zonder zingende vogels
vol kogelgaten, de Iberische Poort
met biddende vrouwen, baardige boeren
onder de uitspraak ‘opium van het volk’
de hoek om bij de Arsenaltoren
over het Rode Plein terug naar hotel.
portiers, doodstille vrouwen.

Na de zevende maal stonden de muren
nog recht overeind in oktober ’89.

Advertenties