II

Valt hij? Eén voet omhoog.
Hij heeft zich onder controle.
Zijn armen langs zijn lijf
de handen ontspannen
of wil een vinger gestrekt?

Hij denkt, hij is op weg
maar waar naar toe?
Hij denkt er over na.
Naar het meisje met de hoed?
Wil hij in haar armen vallen?

Kom maar, zegt ze, bij mij
ben je op avontuur; lachend.
Maar hij, hij valt terug.
De voet, in de goed gepoetste schoen
gaat weer omlaag, naar het beton.

Advertenties