Het nieuwe boek van Coen Peppelenbos doet denken aan een Kees-’t-Hart-creatie: humoristisch, een tikkeltje gestoord, maar het is lichter. Kees ’t Hart is ondanks zijn bedoelingen het licht te houden altijd wat tragisch. Beide schrijvers houden van variété, net als K. Schippers. Misschien zijn er meer overeenkomsten tussen Peppelenbos en Schippers. Zij houden ook beiden van slapstick, Laurel en Hardy, Buster Keaton, maar Schippers is raadselachtiger. De personages van alle drie zijn naïef; de gebeurtenissen overkomen hen en ze schikken zich, hoewel ze ook voldoende karakter en intelligentie hebben om bepaalde doelen te verwezenlijken.

In ‘De valkunstenaar’ van Coen Peppelenbos zijn twee hoofdpersonen: Bas Jan, de jongen die ontdekt dat hij door spectaculair te vallen, de aandacht van medescholieren kan trekken en daarbij zelfs bewondering oogsten. De tweede is de vader van Bas Jan, een dementerende man, die vroeger een bekend goochelaar was. De eerste klimt omhoog, de tweede daalt. In zijn bloeiperiode was de vader puur gericht op zijn optreden, in grote theaters.
‘Wie op de planken staat, heeft altijd de neiging anderen te entertainen, waar hij zich ook bevindt. Daarom bleef mijn vader het liefst thuis.’ Een aardige observatie van het solipsisme van veel kunstenaars.

Peppelenbos heeft met zijn gister (5-11-16) verschenen roman een hilarisch verhaal gepubliceerd, spannend, onderhoudend en ontroerend. Bas Jan zorgt origineel voor zijn vader en ook heel goed. Hij heeft een jongere zus van ongeveer twaalf, die barbiepoppen spaart, van welke zij de ogen en wimpers uitbrandt en vervangt door grote ogen. Die gewoonte accordeert met haar latere voor haar vader beslissende handeling.

Weten hoe je moet vallen.  In Trouw 5-11-16 staat een stuk over vallen van ouderen en hoe je beter vallen kunt trainen. Judo-oefeningen helpen.
’Je armen uitsteken om jezelf op te vangen hoort daar uitdrukkelijk niet bij,  tenzij je onontkoombaar recht op je neus dreigt te belanden. In dat geval moet je wel proberen je handen tussen je hoofd te krijgen. En je hoofd draai je zoveel mogelijk opzij  om je neus en tanden te redden.’

‘Mijn vader’ vertelt Bas Jan ‘viel ook, maar dan op de lullige manier waarop oude mensen vallen: van een stoel terwijl ze iets uit een keukenkastje pakken. Kapotte heup en gebroken been en waarschijnlijk een hersenschudding. Het is vanaf die tijd dat hij verwarder praatte en moeilijker bewoog. Dat is nu drie jaar geleden.’ Omdat hij voortdurend sigaren rookt en Bas Jan bang is dat hij brand veroorzaakt, zet hij hem vaak buiten onder een afdakje.

Bas Jan brengt hem achterop een tandem en een melkkar, vastgelast aan de achterkant, samen met zijn zusje, van Salland naar Den Haag, in de hoop dat de confrontatie met zijn geboortehuis zijn hersencellen activeert. In dezelfde tijd doet hij een toelatingsexamen voor de kunstacademie met een spectaculaire act. Hij slaagt al vallend.

Ik dacht terug aan mijn gedicht over Buster Keaton:

Ik zag je gezicht in vijf fasen
jonger worden, terwijl ik wist
hoe het me je afliep, hoe je
groeide, gelukkig was, in verval

raakte, maar tenslotte je gezicht
in jeugd, vol verlangen naar
wat je ging beleven en maken
zo strak en onzeker over geluk.

En het was hetzelfde gezicht
dat later getekend, omgeploegd
terug kon kijken naar je eerste film
toen alles voorbij was. Hetzelfde.

Advertenties