Ze staat met een volmaakt blank gezicht te luisteren naar de oudere kelner, die haar dingen uitlegt. Toch lijkt er spot in haar onopgemaakte gezichtje te schuilen. Ze is welwillend. Ze is ijverig. Haar lange blonde paardenstaart zwiert tijdens het lopen langs het zwart van haar blouse, waarop een merkteken van Warsteiner is afgebeeld. Onder de omgeslagen zwarte doek om haar smalle heupen kiert een zwarte spijkerbroek. Ze kijkt de zaal met ontbijtende mensen in, haast zich naar lege tafels om op te ruimen; heeft speciale zorg voor de plastic afvalcontainertjes met wipdeksel. Ze maakt ze leeg en doet er een nieuw plastic zakje in.

De oudere kelner zegt iets. Ze knikt. Ze heeft het begrepen en opgeslagen. De oudere kelner is de baas, maar hij voelt zich langzamerhand ondergeschikt aan haar. Hij is dankbaar dat zij naar hem wil luisteren, dat zij ijverig is, dat zij lief is en welopgevoed. Misschien wordt zij later eigenares van het hotel en zal zij de dan zeer oude kelner beschermen tegen ontslag.

De oudere kelner groet nieuwe gasten, Zij groet ook, maar zeer bescheiden. Zij schenkt een derde pak sinaasappelsap leeg in een glazen karaf. Zij glimlacht nauwelijks zichtbaar. Hoe heeft zij vannacht geslapen? Hoe laat kwam zij uit bed? Heeft zij gedoucht en thee of koffie gedronken. Heeft zij ontbeten in het hotel? Is zij op de fiets gekomen? Wanneer gaat ze weg? Is zij er morgen ook? Zal de oudere kelner haar missen?

Advertenties