Literatuur is een kwestie van pr en beeldvorming geworden. Vroeger noemde men dat cultuurpropaganda, maar die term heeft een ongunstige betekenis gekregen sinds de Duitse propaganda in WO I.
Is er een tijd geweest dat literatuur uitgegeven werd alleen omdat men het nodig vond vanwege de kwaliteit of was het altijd al zo dat uitgevers keken naar de markt en hun auteurs de opdracht gaven te gehoorzamen aan de lezerswens?
Ik vermoed van wel, al is het ook zeker waar dat sommige auteurs zich er niets van aantrokken en schreven wat ze moesten schrijven. Er is vast goede literatuur verdwenen, verbrand, vergeten, verstoft, omdat geen uitgever er brood in zag. Iemand beweerde dat alle goede literatuur zijn weg vindt naar de lezer en het probleem is dat je dat nooit kunt weerspreken. Als je wijst op Kafka die zijn werk wilde laten vernietigen, kraait die iemand: dat is juist een bewijs, want het werk werd wel uitgegeven dankzij de verbroken belofte van zijn vriend Max Brod. Maar dan kun je zeggen: ‘Voor zover Brod de manuscripten van Kafka voor de oorlog níet in handen wist te krijgen, werd aan Kafka’s laatste wil voldaan door de Gestapo, die begin 1933, na de machtsovername door Hitler, ongeveer 20 dagboeken en 35 brieven in beslag nam in de Berlijnse woning van Dora. Ondanks de actieve bemoeienis van de Tsjechische ambassade in Berlijn, werden deze en andere manuscripten die in handen van de nazi’s vielen nooit meer teruggevonden en gelden zij als verloren.’

In WO I was Nederland neutraal. De Duitse propaganda wilde Nederlandse literatuur uitgeven om goede sier te maken bij de intellectuelen die niet bepaald Deutschfreundlich waren. Men zocht naar ‘grote’ Nederlandse auteurs en men kwam onder andere uit bij Albert Verwey, die in Nederland gold als een groot schrijver en in Duitsland al bekend was door Stefan George. In 1918 verscheen in Leipzig van hem ‘Gedichte’.
Had Albert Verwey dan geen problemen met een Duitse uitgave in oorlogstijd? Hij wist toch van de Duitse bloedstromen en verwoesting op de slagvelden? Hij gaf er de voorkeur aan te spreken over zijn ‘onzijdige’ opstelling en zich met zijn gedichten te verheffen boven de politiek van alledag. Hij meende dat zijn gedichten ‘geen ander doel’ hadden ‘dan gedicht te zijn’. ‘Poëzie en Geest hebben hun eigen rijk.’
Het werd met steun van de Duitse staat een dure uitgave, een groot schrijver waardig. In onze tijd behoort hij met zijn gedichten niet meer tot de canon van de Nederlandse literatuur.

(‘Groot auteur in een Grote Oorlog’, Hubert van den Berg, in ‘Schrijverstypen’, het gedenkboek bij het afscheid van Gilles Dorleijn als hoogleraar.)

Advertenties