Uit het duister kom ik, hoofd als van een Etruskische

wijd uitstaande ogen, neus al in het licht

mond gewelfd, vol van mededogen.

 

Zie mijn handen, nauwelijks gevouwen

op mijn buik, de jurk als van de negentiende eeuw

met strikjes en rushjes, licht van kleur.

 

Ik kijk naar je, grootogig, beige ribcord.

Het duizelt om mijn hoofd, maar zie, ik wacht

op je, laat je komen, ik wacht af wat je doet.
 –

Advertenties