James Salter begint zijn ‘A sport and a pastime’ met een citaat uit de Koran: ‘Remember that life of this world is but a sport and a pastime… ‘ Het echte leven begint na de dood. Wat zou Salter bedoelen? Is het spot of ernst? Het is ernst, maar dat wil niet zeggen dat Salter gelooft in een hiernamaals

Het verhaal begint in september. Het was een mooie zomer. Parijs begint weer vol te lopen. Een ik-figuur trekt juist naar het land, naar Autun, midden-Frankrijk.
Hij vertelt hoe hij de trein instapt, een leeg compartiment zoekt, dat niet vindt en dan maar een lege plaats zoekt. Hij gaat naar binnen, zwaait zijn koffers in het rek, ploft neer en bekijkt zijn medereizigers. Een Fransman slaapt. Hij heeft een blauw jasje en een blauwe broek, maar de blauwen passen niet bij elkaar. Hij kijkt hoe de trein Parijs uitrijdt, langs gewone straten, langs voorsteden, appartementen, tuinen, muren. En dan is Parijs verdwenen en opent het land zich. De ik voelt zich al vrij. Groen, burgerlijk Frankrijk. De boerderijen zijn opgebouwd met steen. Land is de enige rijkdom. Er is een meisje in het compartiment. Hij beschrijft haar nauwkeurig, net als alles wat voorbijtrekt, bomen, tussenstations, groene kanalen, hooiland, voetbalvelden. Het meisje zoekt naar sigaretten. De sluiting van haar handtas is gebroken. Het is warm in de zon. Hij valt in slaap. Het meisje is verdwenen. De trein gaat over een rivier. Ze komen langs een hotel. De trein staat even stil op een station. Bij een kar kun je sandwiches en bier kopen. Een zwanger meisje met een zongebrand gezicht en bleke ogen komt langs en kijkt naar hem als ze passeert. Ze heeft een serene uitdrukking. Mensen worden weer echt, vooral vrouwen. Anders dan in Parijs. In het compartiment is een zwijgzaam meisje gekomen met een vogelgezicht. Het is bewolkt geworden. Het licht is veranderd. Het meisje haalt een toffee uit haar tas. Hij is benieuwd naar haar tanden. Ze draagt een trouwring. Hij kijkt naar buiten. Ze naderen Autun. Hij stapt uit met nog twee, drie passagiers. Het is leeg op het perron. Hij loopt naar een huis bij de Romeinse muur. Hij loopt door een laan met bomen, komt bij een groot plein. Het is stil, een Utrillo-achtige stilte. Hij ziet de kathedraal. Hij komt bij het huis, Wheatland’ house, groot van steen, het hout verwaarloosd. Hij denkt dat hij de plek kent. Hij ziet een inscriptie ‘Vaincre ou mourir’. Hij is 34.

Waar gaat dit naar toe?
Het is duidelijk: deze ik is een nauwkeurig waarnemer. Hij is dan ook fotograaf. Voor vrienden past hij op een groot huis in een blauwe – er is veel blauw in deze vertelling – bewegingloze, niet actieve stad, leeg, existentieel leeg. De ik zegt al gauw dat hij een verhaal vertelt over dingen die nooit bestaan hebben, hoewel zelfs de geringste twijfel eraan alles in duisternis werpt.
In Parijs heeft hij bij een ‘ontvangst’ Philippe Dean ontmoet. Philippe is mooi en intelligent en onafhankelijk en een uitvreter. Hij liep weg van de universiteit, Yale, omdat hij zich verveelde. De ik is iemand die niet weet wat hij moet zeggen. Hij verlangt naar een meisje, maar hoe moet dat?
Dean komt na een maand of twee bij de ik langs met zijn antieke auto, dat wil zeggen zijn geleende auto, onuitgenodigd en hij laat zich verwennen. De ik is jaloers. Hij heeft alles netjes gedaan. Het leven van Dean lijkt echter, sterker, waarachtiger. Hij is aantrekkelijk als een zwart gat. Hij rijdt met hem rond in het echte Frankrijk.
Tot zo ver is dit een verhaal van een ik-verteller, maar nu komt het. De ik-verteller wordt een alwetende verteller, aanwezig bij de intiemste momenten van Dean en zijn vriendin. Hij ziet alles en weet alles, ook wat de vriendin denkt.

Advertenties