Piet Gerbrandy zegt:

‘Interessanter zijn de teksten waarin op zo’n manier met betekenis wordt gegoocheld dat je aan het denken wordt gezet over het vermogen van taal iets te verhullen door het op te roepen en, omgekeerd, iets te zeggen door het te verzwijgen.’

Bijv. van Jaap Blonk:
‘De minister betreurt dergelijke uitlatingen’
‘D mnstr btrrt drglk tltngn’
‘e iie eeu eeije uiaine’
‘De minister betreurt dergelijke uitlatingen’

Waardoor je denkt: de minister betreurt het helemaal niet.

==

Gerhard Szczesny schrijft:

‘Wat een gedicht tot gedicht maakt, is niet het talent van de dichter om gezochte klanken, duistere beelden en brokstukken van aforismen ritmisch aaneen te voegen, doch zijn vermogen om met woorden iets aan te duiden en te omvatten wat in die woorden zelf niet aanwezig is.’

Bijvoorbeeld van Faverey:

Zelden heeft de sprong van een panter

Zelden heeft de sprong van een panter
ook maar iets van dezelfde sprong door
dezelfde panter, wanneer niet zoals
gewild door die panter zelf.

De dolfijn die voor het schip uit zwemt
zwemt net zolang voor het schip uit,
tot er geen sprake meer is van een
dolfijn die voor een schip uit zwemt.

En zo zal het je gebeuren, dat je nauwelijks
merkt hoe je okselzweet van geur verandert,
dat het je ontgaat hoe de centaur eerst
zijn hoeven schraapt voor hij naar je
toe komt, en in je veilige huis alles
kort en klein schopt en slaat.

uit: ‘Verzamelde gedichten’,1993.

Het verzwegene is hier de naderende dood.

Advertenties